Le Grelle

Devies Nostrum Praesidium Deus
Wapenschild van de familie Le Grelle in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal (Antwerpen)
Graaf Gérard Le Grelle en Gravin (Gérard) Le Grelle geboren Annette van Lancker
Wapenschild van de adelsbrief van Pierre Le Grelle de Rameyen
Gérard Le Grelle (1793-1871)

Le Grelle is een geslacht waarvan leden sinds 1794 tot de keizerlijke, Nederlandse, pauselijke en Belgische adel behoren.

Oorsprong en economische activiteiten

Het geslacht Le Grelle begint met Jean in 1586 in Mainvault, bij Aat. De band met de stad Antwerpen gaat terug tot 1672, toen Willem (Guillaume), de achterkleinzoon van Jean, daar poorter van de stad werd. Het was in die tijd dat Le Grelle's deel gingen uitmaken van de aandeelhouders van de Oostendse Compagnie (1725) en de Compagnie van Triëste. Veel textielstoffen, porselein en andere goederen gingen door hun handen. Als textielhandelaar (in 1690) is François de gemeenschappelijke voorouder van de geadelde takken. Zijn drie zonen, Guillaume-François, Jean-François en Jean-Guillaume, waren ook actief in het bedrijf. In 1732 had hun handelsonderneming haar hoofdkantoor in de Hoogstraat. Guillaume-François en Jean-François 1754 importeerden textielstoffen, zijde, suiker, cacao, thee en porselein uit Engeland, Portugal en China in nauwe samenwerking met de Zweedse Oost-Indische Compagnie.

Jean-Guillaume, de zoon van Guillaume, nam het bedrijf Beerenbroek & Co. over, een katoendrukkerij opgericht door zijn schoonvader in 1753. In 1757 betraden ook de broers Michel en Jean De Knyff en François J. Moretus in het kapitaal van de toenmalige drukkerij in Dambrugge, die in 1770 meer dan 576 arbeiders in dienst had. Tegelijkertijd werd in 1756 ook de suikerfabriek Huysmans et Cie of de Belle opgericht. In 1785 waren de aandeelhouders François J. Moretus, de drie broers De Knyff, Th. Huysmans en Jean-Guillaume Le Grelle. Deze laatste, reeds kasteelheer van Selsaeten (een eigendom dat door erfenis aan de familie Agie is overgedragen), bood op zijn beurt een kasteel aan elk van zijn kinderen aan ter gelegenheid van hun huwelijk. De familie bezat vele kastelen in de Antwerpse regio. Onder hen waren Rameyen, Gestel, Morckhoven, Selsaete, Middelheim, Presseux, Berchem, Doggenhout, Munsterbilzen, Boterberg, Beaulieu, Reet, Berendrecht, Wuustwezel, Steytelinck, Valaer, evenals vele herenhuizen op de Meir of Lange Gasthuisstraat.

De volgende generatie richtte een bank op, Le Grelle Frères, die in Antwerpen actief was op hetzelfde moment als haar grote zus, Bank Joseph J. Le Grelle (1792), van de grafelijke tak. Joseph J. had onder meer de verzekeringsmaatschappij Securitas (1819) en de verzekeringsmaatschappij L'Escaut (1821) opgericht. Gérard was, samen met zijn broers Henri en Edmond, een grote drijvende kracht achter de bank, die een belangrijke rol speelde in de financiering van de stad Antwerpen na de onafhankelijkheid van België. Samen met de Bank Rothschild was het ook een van de belangrijkste financiers van de pauselijke staten (deze waren goed voor een kwart van Italië van het zuiden van Rome tot Bologna), voor de hereniging van Italië, via de Rente Romaine in 1854 en 1864. Tot 1850 gaf het zijn eigen bankbiljetten uit. Bank Joseph J. Le Grelle was ook een belangrijke financier van de eerste Belgische kolonie in Guatemala - een slecht voorbereide expeditie die op een mislukking uitdraaide. In 1854 werd de bankinstelling geconfronteerd met het onvermogen van één haar debiteuren, om terug te betalen en werd ze eigenaar van 10.640 hectare in Guatemala. Sinds 7 oktober 1940 is de familie dit bezit uit het oog verloren.

In de 19e eeuw werden de industriële activiteiten van de familie gediversifieerd: de oprichting van Securitas, de Gazet van Antwerpen en Anhyp (in 1881, met Auguste Le Grelle). Anderen namen deel aan de oprichting van Liebig met de Duitse families in Antwerpen. Een eeuw later fusioneerden de aandeelhouders van Liebig en Maggi. Het waren echter de bancaire activiteiten die binnen het geslacht Le Grelle belangrijk bleven.

Onder meer de Bank Joseph Guillaume Le Grelle te Brussel, de Bank Max Le Grelle te Delft, die fuseerde met ABN-Amro na in dezelfde consolidatiekring te hebben gezeten als Bank Joseph J. Le Grelle (deze laatste was, via Bank Antwerpen, gefuseerd met Fortis Bank). Veel leden waren bankbestuurders waaronder Joseph Guillaume (stichter van de Banque Foncière te Brussel en commissaris van de Banque de Belgique), Henri (stichter van de Banque Commerciale d’Anvers), Gaston (P. Kok & C° Bank in Den Haag), Oscar (Crédit Anversois), Émile (Bank van Brussel) en Stanislas (Bank van Antwerpen).

De Kerk en de goede werken

In Antwerpen en omgeving zijn er negenentwintig kerken en kapellen - waaronder de kathedraal – met glas in loodramen of uitbeeldingen met het wapen van de familie Le Grelle. De familie heeft drie aalmoezeniers geleverd, die aan het hoofd stonden van deze oude instelling (lang voor de oprichting van het OCMW) die voor de meest behoeftigen in de stad zorgde. Deze functie van een jaar was erg duur, omdat de Groot Aalmoezenier zelf de werking ervan financierde. In 1824 richtte Gerard Le Grelle de Maatschappij der Kristelijke Liefdadigheid (MKL.BE) op, die nog steeds actief is, als ziekenhuis en WZC. Talrijke kloosters en religieuze orders konden ook rekenen op de hulp van Gérard Le Grelle, wiens naam verbonden blijft aan een petitie voor godsdienstvrijheid in 1825.

Le Grelle en politiek

Patriottisme is altijd belangrijk geweest in de familie Le Grelle. Reeds in 1790 had Henri-Jacques Le Grelle, dr. in de rechten, een eed van trouw gezworen aan de Republiek van de Verenigde Nederlandse Staten, hij was een van de drie auteurs van de Grondwet. Hij werd geadeld in januari 1794 (29 januari 1794: concessie van de adel door keizer Frans II ten gunste van Henri-Jacques Le Grelle (Oostenrijkse tijdperk)). In datzelfde jaar behoorde hij, samen met Joseph J. Le Grelle, tot de gijzelaars van de Fransen als pand voor de betaling van de oorlogsbijdrage van Antwerpen.

De Grondwet van de Republiek vormde een belangrijke basis voor de Belgische Grondwet die in 1831 door het Nationaal Congres werd aangenomen. Gerard Le Grelle, de neef van Henri-Jacques, was lid van het Nationaal Congres voor de provincie Antwerpen - een functie die hij combineerde met zijn mandaat als burgemeester, zijn statuut als bankier en later als lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Zijn situatie was niet erg comfortabel, want het bedrijfsleven was bereid zich als Orangisten te laten gelden uit angst dat de Schelde weer door Nederland zou worden geblokkeerd. Gérard, een Belgicist, sinds zijn opleiding in Brussel bij professor Lesbroussart, heeft zich tussen 1815 en 1830 laten gelden, door categorisch elke administratieve of politieke functie onder het Nederlandse regime te weigeren, bijvoorbeeld door te weigeren om tot gemeenteraadslid te worden benoemd. Gérard gaf er de voorkeur aan zich te concentreren op Antwerpen en zijn bank en weigerde opnieuw een functie als minister van Financiën in de Belgische regering. Hij was het die in 1836 besloot tot de tweede spoorverbinding in België, tussen Mechelen en Antwerpen, en die de architect was van de "IJzeren Rijn", een spoorlijn tussen Antwerpen en Keulen om goederen uit de haven van Antwerpen te transporteren. Onder zijn initiatieven noteren we de sanering van de Schelde, de aanleg van de kades, de aankoop van de Scheldetol van de Nederlanders, de bouw van de Bourlaschouwburg en de oprichting van de rubensiaanse feesten in 1840 om een Belgisch gevoel te creëren, (dat België reeds bestond ten tijde van Rubens). Gerard en zijn zoon Augustus waren ook kunstmecenassen, onder andere voor Nicaise de Keyser (die zijn naam gaf aan de De Keyserlei). In 1852 en opnieuw in 1853 krijgt Jonkheer Gerard de titel van graaf, eerst door de vorst van de pauselijke staten en vervolgens door de koning der Belgen. Na Gérard Le Grelle, achttien jaar lang burgemeester van Antwerpen, werden andere Le Grelle’s opgeroepen tot politieke functies in de Scheldestad en in de dorpen Pulle, Gestel en Reet. Ferdinand was senator, Max gemeenteraadslid van de stad Delft. Deze laatste, die op eenenveertigjarige leeftijd overleed, was zeer actief in het bedrijfsleven als bestuurder van zijn bank, maar ook van de Incasso Bank, de Standaard Hypotheek bank, de Delftsche Electrische Installatie Maatschappij, de Delftsche Machinefabriek en vele goede werken. Hij richtte de Katholieke woningbouw Vereeniging Sint Hyppolytus op, een woningcorporatie in Delft die vandaag de dag nog steeds bijna 5000 woningen beheert. Charles Le Grelle, naar wie een straat in Etterbeek (waar hij schepen was) is vernoemd, heeft het Egyptische rechtssysteem opgezet.

Op sportief vlak heeft de familie ook enkele sportieve prestaties, met name met graaf Léon Le Grelle, trainer en jockey in de stallen van baron Creutz, baron Osy en graaf van Limburg Stirum in Nederland. Zijn neef, graaf Gérard, volgde dezelfde weg; beiden wonnen talrijke prijzen. Meer recentelijk haalde gravin Diane Jacqueline Mathilde Gérardine Marie Ghislaine "Pinky"•le Grelle (-de Ravestein, -van de Kimmenade), Pinky Le Grelle de 59e plaats in het kleiduivenschieten op de Olympische Zomerspelen 1992 (voor Groot-Brittannië), terwijl Sébastien le Grelle in 1999 kampioen werd in de supersport Europees kampioenschap wegrace. Tegenwoordig heeft de naam Le Grelle nog steeds een zeer Antwerpse connotatie, maar de meerderheid van de familie woont er niet meer; in plaats daarvan is het te vinden in Waals-Brabant en zelfs voor een groot deel in Frankrijk, nadat deze tak eerst in Belgisch Congo had vertoefd. Tot slot moet worden opgemerkt dat alle Le Grelle’s een of meerdere malen afstammen van de Zeven geslachten van Brussel, onder andere via de Burbure, Villegas en Fauconval. In de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal (Antwerpen) werd een kapel ingewijd door de familie Le Grelle, die een 16de-eeuwse triptiek herbergt.

Genealogie

Telgen

Toponiem

Adelsbrieven

Literatuur