Liber Linteus Zagrabiensis

Liber Linteus Zagrabiensis in het Archeologisch Museum van Zagreb
detail van de Etruskische tekst

Het Liber Linteus Zagrabiensis is een linnen doek/boek met de langste bekende tekst in de Etruskische taal geschreven. Het Liber Linteus Zagrabiensis bevindt zich in het Archeologisch Museum van Zagreb, in Kroatië.

Het doek dateert waarschijnlijk van de 4e-3e eeuw v.Chr. De tekst dateert waarschijnlijk van de 3e-2e eeuw v.Chr.; niet elke onderzoeker neemt aan dat het doek zo veel ouder is dan de tekst.

Egyptenaren verknipten het linnen later om te gebruiken als mummiewikkels, circa 1e eeuw v.Chr.

Naam

Liber Linteus is Latijn voor linnen boek. Het boek bestaat dus uit een doek. Zagrabiensis is het Latijnse adjectief afgeleid van de naam Zagreb.

Etruskisch

Het oorspronkelijk doek is Etruskisch. Het had de afmetingen 40 cm hoog en 340 cm lang. Het telde 12 kolommen, die te vergelijken zijn met pagina’s. Rondom elke kolom is er een marge van 2 cm die niet beschreven is. Elke kolom telt 35 regels. Een 13e kolom is volledig zwart en was het titelblad. De lezer kon het doek zo opvouwen dat een kolom open stond ter lectuur, zoals een pagina. Vermoedelijk is het doek geweven in Midden-Italië, Etrurië, of zelfs Zuid-Italië. De tekst werd opgeschreven in Midden- of Zuid-Italië door iemand die nog Etruskisch machtig was in de 3e-2e eeuw v.Chr. De tekst telde 1.330 woorden die genoteerd zijn in zwarte inkt die getrokken werd uit verbrand ivoor. Daarnaast zijn er enkele leestekens in vermiljoen getrokken uit cinnaber aangebracht, wat doet vermoeden dat de tekst bedoeld is om door een priester voor te lezen bij een openbare plechtigheid. Dit kon bijvoorbeeld plaats hebben tijdens een begrafenisritueel of bij de herdenking van een Etruskische god. Bij dit laatste vermeldt de tekst op meerdere plaatsen het plengen van wijn ter ere van de god.

Inhoudelijk gaat het om rituele formules die repetitief van aard zijn, soms metrisch van aard met zelfs alliteraties. Op enkele plaatsen zijn er zwarte lijnen en derhalve geen zinnen. De laatste drie kolommen (nrs 10 tot 12) vertonen meer inhoudelijke variatie. Daar komen minder herhalingen voor. Onderzoekers nemen aan dat de laatste drie kolommen een ander doel hadden dan in een ritus gebruikt te worden.

De kolommen komen niet overeen met de Etruskische maandkalender. Niettemin vermeldt de tekst chronologisch de feestdagen van Etruskische godheden.

Egyptisch

Egyptische mummie dat met de Liber Linteus was ingewikkeld

Egyptenaren versneden het doek in stroken van elk 35 cm hoog. Drie stroken zijn verdwenen; er blijven er vijf over. Sommige hiervan zijn evenwel onleesbaar geworden in de tijd. Globaal is 70% van de Etruskische tekst bewaard gebleven.

De stroken dienden bij een mummificatie als mummiewindels. De datering gaat terug tot de 1e eeuw v.Chr. toen de Ptolemeeën heersten over Egypte.

Er is een wetenschappelijk hiaat over de productie van het linnen boek in Italië en het opduiken ervan in Egypte. De meest waarschijnlijke theorie is dat er in Alexandrië uitgeweken Etrusken woonden.

Kroatisch

In 1848 gaf Mihaljo Barić (1791-1859) zijn ontslag op de Koninklijke Kanselarij van Hongarije gelegen in Wenen. Barić was een Kroaat. Kroatië was een deel van Hongarije. Barić had er het ambt van diplomaat bekleed. Hij maakte een bootreis doorheen de Middellandse Zee en legde onder meer aan in Egypte. In Alexandrië kocht hij als souvenir een sarcofaag met de mummie van een vrouw. Deze vrouw bleek later circa 30 jaar oud te zijn. Zij had een kattenschedel met haar begraven in de sarcofaag. Terug thuis in Wenen stelde Barić de mummie ten toon in een glazen kast in zijn salon. Hij sloeg geen acht op de inscripties.

Barić overleed in 1859. Zijn broer Ilija, een priester in Slavonië, erfde de mummie en schonk deze in 1867 aan het Nationaal Instituut van Kroatië, Slavonië en Dalmatië in Zagreb. Het Archeologisch Museum van Zagreb was een onderdeel van het instituut en verwierf in 1940 autonomie. Nog in 1867 onderzocht Heinrich Brugsch, een Duits egyptoloog, de inscripties. Hij meende foutief dat het om hiërogliefen ging.

In 1891 werden de mummiewindels, zonder de mummie, overgebracht naar de universiteit van Wenen. Jakob Krall, een expert in de Koptische taal, stelde onmiddellijk vast dat de tekst geen Egyptische origine had. Een jaar later concludeerde hij in een publicatie dat het in Etruskisch geschreven was. Daarmee was de inhoud van de tekst nog niet opgehelderd, niettegenstaande het gedetailleerd onderzoek door Jakob Krall. Inhoudelijk kwam er pas duidelijkheid begin 21e eeuw.