| Manju | ||||
|---|---|---|---|---|
Manjū met zoete aardappel | ||||
| Land | ||||
| Streek | Oost-Azië | |||
| Hoofdingrediënt(en) | Meel, rijstmeel, boekweit, rodebonenpasta | |||
| Type | Wagashi | |||
| ||||
Manju (饅頭, まんじゅう) is een traditionele wagashi, Japanse lekkernij. Er zijn veel soorten manjū, maar de meeste hebben een buitenkant gemaakt van meel, rijstmeel, kudzu en boekweit en een vulling van anko (rode bonenpasta), meestal gemaakt van gekookte azukibonen en suiker. Manjū wordt soms gemaakt met andere vullingen zoals kastanjejam. Op Hawaï vind je Okinawan manjū die zijn gemaakt met een vulling van paarse zoete aardappel, boter, melk, suiker en zout, maar de meest voorkomende vulling is bonenpasta waarvan er verschillende soorten zijn, waaronder koshian, tsubuan en tsubushian.
Manjū is afgeleid van een type mochi (蒸餅 ) die al heel lang in China bestaat. Het heette oorspronkelijk mantou in het Chinees, maar werd bekend als manjū toen het naar Japan kwam. In 1341 bracht een Japanse gezant die terugkwam uit China mantou mee en begon het te verkopen als nara-manjū. Er wordt gezegd dat dit de oorsprong was van de Japanse manjū. Sindsdien wordt het al bijna 700 jaar door Japanners gegeten. Nu is het te vinden in veel Japanse snoepwinkels. De lage prijs is een reden waarom het populair is.


Er zijn talloze soorten manjū, sommige komen vaker voor dan andere.