Merkenrecht

Merkenrecht is het geheel van rechtsregels binnen het intellectuele eigendomsrecht die voorzien in de registratie, de bescherming en handhaving en het uitdoven van merken. De grondslag van het merkenrecht ligt in het belang van de ongestoorde marktwerking. Merken zijn tekens die de commerciële herkomst van producten of diensten onderscheiden. Het is, in het kader van onvervalste mededinging, in het belang van zowel merkhouders als consumenten dat merken kunnen worden beschermd. Zo kunnen merkhouders een reputatie opbouwen en reclame maken en kunnen consumenten merken herkennen van bijvoorbeeld eerdere ervaringen of uit reclames.

Benelux

Zie Merkenrecht in de Benelux voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Waar de meeste landen hun eigen systeem van merkenrecht kennen, hebben België, Nederland en Luxemburg (de Benelux) een gezamenlijk systeem van merkenrecht. Er is dus geen nationaal Nederlands of Belgisch merkenrecht en een merk registreren voor enkel Nederland is niet mogelijk. Het Benelux merkenrecht is geregeld in het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom van 2005 (BVIE). Voordien werd het merkenrecht geregeld door de Benelux Merkenwet (BMW).

Het huidige systeem van Benelux merkenrecht werkt in grote lijnen hetzelfde als de nationale merkenrechtsystemen van andere EU-lidstaten. Dit omdat het merkenrecht in grote mate geharmoniseerd is binnen de Europese Unie door middel van de Europese Merkenrichtlijn.

Europese Unie

Zoals benoemd bestaan er voor de verschillende EU-lidstaten verschillende systemen van merkenrecht, en zijn die systemen in grote lijnen Europees geharmoniseerd. Daarnaast bestaat er een systeem van merkenrecht voor de Europese Unie als geheel. Dit systeem van Uniemerken is geregeld via de Uniemerkenverordening.

Uniemerken zijn geldig in de gehele Europese Unie en zijn bedoeld voor merken die actief zijn in een significant deel van de interne markt van de EU. Een bezwaar tegen een Uniemerk gebaseerd op een ouder recht in één lidstaat staat daarom het hele Uniemerk in de weg. Andersom kan een Uniemerk worden ingeroepen tegen merken in alle lidstaten, ongeacht of het Uniemerk in dat land wordt gebruikt. Het Uniemerk wordt dus gekenmerkt door een alles-of-niets aanpak.

Registratie

Voor het verkrijgen van een uitsluitend merkrecht volgens het Benelux-merkenrecht is inschrijving vereist. Artikel 2.2 van het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (BVIE) bepaalt dat het uitsluitend recht op een merk wordt verkregen door inschrijving van een Beneluxmerk of door een internationale inschrijving die bescherming heeft in de Benelux.

Afhankelijk van het gewenste geografische beschermingsgebied bestaan verschillende registratiesystemen:

Een internationale registratie via het Madrid-systeem vormt daarmee geen zelfstandig wereldwijd merkrecht. De bescherming volgt uit de werking van de internationale registratie in de afzonderlijk aangewezen landen of regio's.

Merkaanvraag

Voor een Beneluxmerk wordt een aanvraag ingediend bij BOIP. Daarbij wordt aangegeven welk teken als merk moet worden beschermd, wie de aanvrager is en voor welke producten en diensten bescherming wordt gevraagd. Ook moeten de verschuldigde taksen worden betaald.

Na indiening onderzoekt BOIP onder meer of de aanvraag aan de formele vereisten voldoet en of absolute weigeringsgronden van toepassing zijn. BOIP beoordeelt bijvoorbeeld of het merk voldoende onderscheidend vermogen heeft en niet uitsluitend beschrijvend is voor de aangevraagde producten of diensten.

BOIP onderzoekt bij de aanvraag niet automatisch of er oudere, conflicterende merken bestaan. Na publicatie van de aanvraag kunnen houders van bepaalde oudere rechten binnen de daarvoor geldende termijn oppositie instellen tegen de inschrijving.

Soorten merken

De bekendste soorten merken zijn woordmerken en beeldmerken en woord/beeldmerk combinaties. Echter, er bestaan meer soorten merken, waaronder:

Volgens de wet kan een merk worden gevorm door alle tekens, in het bijzonder woorden, waaronder namen van personen, of tekeningen, letters, cijfers, kleuren, vormen van waren of verpakkingen van waren, of geluiden, mits deze de waren of diensten van een onderneming kunnen onderscheiden van die van andere ondernemingen, en duidelijk in het register kunnen worden weergegeven. Voorheen was het ook vereist dat het merk vatbaar was voor grafische weergave.Zo kon een klankmerk worden weergegeven als notenbalk. Tegenwoordig kan een mp3-bestand van een geluid ook als klankmerk worden ingeschreven en is een grafische voorstelling niet langer vereist.

Vereisten

Duidelijke weergave

Een teken kan alleen als merk worden geregistreerd wanneer het in het register kan worden weergegeven op een wijze die de bevoegde autoriteiten en het publiek in staat stelt duidelijk en nauwkeurig vast te stellen welk teken wordt beschermd. Een grafische voorstelling is daarbij niet meer in alle gevallen vereist. Daardoor kunnen bijvoorbeeld ook geluidsmerken met een geschikt elektronisch bestand worden weergegeven.

De eis heeft tot doel dat het voor derden en voor de bevoegde instanties voldoende duidelijk is wat het voorwerp van het uitsluitende merkrecht is.

Onderscheidend vermogen

Een merk moet geschikt zijn om de waren of diensten van een onderneming te onderscheiden van die van andere ondernemingen. Ontbreekt ieder onderscheidend vermogen, dan kan het teken niet als merk worden ingeschreven.

Of een teken onderscheidend vermogen heeft, wordt beoordeeld in relatie tot de waren en diensten waarvoor de inschrijving wordt gevraagd en vanuit de perceptie van het relevante publiek. Een woord of teken kan daarom voor bepaalde producten beschrijvend of niet-onderscheidend zijn, terwijl het voor andere producten of diensten wel als merk kan functioneren.

Merken die uitsluitend bestaan uit aanduidingen die kenmerken van de betrokken waren of diensten beschrijven, zoals soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming of geografische herkomst, kunnen worden geweigerd. Hetzelfde geldt voor tekens of benamingen die in het normale taalgebruik of het bonafide handelsverkeer gebruikelijk zijn geworden.

Een teken dat aanvankelijk onderscheidend vermogen mist, beschrijvend is of gebruikelijk is, kan in bepaalde gevallen door gebruik alsnog onderscheidend vermogen verkrijgen. Dit wordt "inburgering" genoemd. Daarvoor moet het relevante publiek het teken als gevolg van het gebruik daadwerkelijk zijn gaan opvatten als aanduiding van de commerciële herkomst van de betrokken waren of diensten.

Absolute weigeringsgronden

Naast gebrek aan onderscheidend vermogen en een uitsluitend beschrijvend of gebruikelijk karakter kent het merkenrecht verschillende andere absolute weigeringsgronden. Volgens artikel 2.2bis BVIE kunnen onder meer worden geweigerd:

BOIP onderzoekt deze absolute gronden tijdens de registratieprocedure. Een ingediende en betaalde aanvraag leidt daarom niet automatisch tot inschrijving.

Oudere rechten en oppositie

BOIP onderzoekt bij een Benelux-merkaanvraag niet uit zichzelf of het aangevraagde merk conflicteert met oudere merken. Houders van bepaalde oudere rechten kunnen na publicatie van de aanvraag zelf oppositie instellen.

Een ouder merk kan onder meer aan inschrijving in de weg staan wanneer het aangevraagde teken gelijk is aan het oudere merk en voor dezelfde waren of diensten wordt aangevraagd. Ook kan oppositie slagen wanneer merk en teken gelijk zijn of overeenstemmen en de betrokken waren of diensten gelijk of soortgelijk zijn, indien daardoor bij het publiek verwarringsgevaar bestaat. Dat verwarringsgevaar omvat ook het gevaar dat het publiek beide merken met elkaar associeert.

Ook oudere bekende merken kunnen onder ruimere voorwaarden bescherming genieten, waaronder in bepaalde gevallen situaties waarin de betrokken waren of diensten niet soortgelijk zijn. Bij de beoordeling kan onder meer van belang zijn of zonder geldige reden ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit, of afbreuk wordt gedaan aan, het onderscheidend vermogen of de reputatie van het oudere merk.

Inbreuk

Een ingeschreven merk geeft de merkhouder een uitsluitend recht. Artikel 2.20 van het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (BVIE) onderscheidt verschillende situaties waarin de merkhouder zich tegen gebruik van een teken door een derde kan verzetten.

Wanneer een teken gelijk is aan het ingeschreven merk en in het economisch verkeer wordt gebruikt voor dezelfde waren of diensten als waarvoor het merk is ingeschreven, kan de merkhouder zich op grond van artikel 2.20 lid 2 onder a BVIE tegen dat gebruik verzetten. Voor deze beschermingsgrond verlangt de bepaling geen afzonderlijk bewijs van verwarringsgevaar.

Een tweede situatie betreft een teken dat gelijk is aan of overeenstemt met het merk en wordt gebruikt voor gelijke of overeenstemmende waren of diensten. In dat geval kan de merkhouder optreden wanneer daardoor bij het publiek gevaar voor verwarring bestaat. Hieronder valt ook verwarring die het gevolg is van associatie met het oudere merk.

Voor bekende merken bestaat een ruimere bescherming. De houder van een in het Benelux-gebied bekend merk kan zich onder voorwaarden verzetten tegen een gelijk of overeenstemmend teken, ongeacht of dit wordt gebruikt voor gelijke, overeenstemmende of niet-overeenstemmende waren of diensten. Vereist is onder meer dat door het gebruik zonder geldige reden ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit, of afbreuk wordt gedaan aan, het onderscheidend vermogen of de reputatie van het bekende merk.

Het BVIE kent daarnaast bescherming tegen bepaald gebruik van een teken anders dan ter onderscheiding van waren of diensten. Ook daarbij moet sprake zijn van gebruik zonder geldige reden waardoor ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit, of afbreuk wordt gedaan aan, het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk.

Deze rechten zijn niet onbeperkt. Het BVIE kent onder meer beperkingen voor bepaald eerlijk gebruik van namen, beschrijvende aanduidingen en gebruik dat nodig is om de bestemming van een product of dienst aan te geven.

Verwarringsgevaar

Bij de beoordeling van verwarringsgevaar moet een globale beoordeling plaatsvinden waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante omstandigheden van het concrete geval. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft dit uitgangspunt onder meer ontwikkeld in de arresten SABEL/Puma en Canon.

Bij die globale beoordeling bestaat een onderlinge samenhang tussen verschillende factoren. Met name de mate van overeenstemming tussen de tekens en de mate van soortgelijkheid tussen de betrokken waren of diensten beïnvloeden elkaar. Een geringere mate van soortgelijkheid tussen waren of diensten kan daardoor worden gecompenseerd door een grotere mate van overeenstemming tussen de tekens en omgekeerd.

Ook het onderscheidend vermogen van het oudere merk speelt een rol. Naarmate een ouder merk een sterker onderscheidend vermogen heeft, kan het verwarringsgevaar groter zijn en daarmee de beschermingsomvang ruimer.

Voor de overeenstemming van de tekens wordt gekeken naar de visuele, fonetische en begripsmatige overeenstemming. De beoordeling berust op de totaalindruk die de tekens bij het relevante publiek achterlaten, waarbij in het bijzonder rekening kan worden gehouden met onderscheidende en dominerende bestanddelen.

Verwarringsgevaar bestaat wanneer het relevante publiek kan menen dat de betrokken waren of diensten van dezelfde onderneming of van economisch verbonden ondernemingen afkomstig zijn. Het enkele feit dat twee tekens door het publiek met elkaar kunnen worden geassocieerd is daarvoor niet voldoende.

De gemiddelde consument

Bij de beoordeling van verwarringsgevaar speelt de perceptie van de gemiddelde consument van de betrokken waren of diensten een belangrijke rol. Deze gemiddelde consument wordt geacht normaal geïnformeerd en redelijk omzichtig en oplettend te zijn. Het aandachtsniveau kan verschillen afhankelijk van het soort product of dienst.

De gemiddelde consument neemt een merk gewoonlijk als een geheel waar en let niet op alle afzonderlijke details. Bovendien heeft een consument doorgaans niet de mogelijkheid twee merken rechtstreeks naast elkaar te vergelijken, maar moet hij afgaan op het onvolmaakte beeld dat in zijn geheugen is achtergebleven.

Einde van het merkrecht

Een merkrecht kan op verschillende manieren eindigen. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen het verstrijken of vrijwillig doorhalen van een registratie, vervallenverklaring en nietigverklaring.

Verstrijken en vrijwillige doorhaling

Een Benelux-merkregistratie heeft een beperkte geldigheidsduur en moet tijdig worden vernieuwd om in stand te blijven. Wanneer de geldigheidsduur verstrijkt zonder vernieuwing, vervalt het merkrecht. De merkhouder kan daarnaast zelf verzoeken om de registratie geheel of gedeeltelijk door te halen.

Een vrijwillige doorhaling kan betrekking hebben op de volledige registratie of slechts op een deel van de waren of diensten waarvoor het merk is ingeschreven.

Vervallenverklaring

Een merk kan na inschrijving vervallen worden verklaard wanneer niet langer aan bepaalde voorwaarden voor instandhouding van het merkrecht wordt voldaan.

Een belangrijke vervalgrond is het ontbreken van normaal gebruik. Wanneer gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar geen normaal gebruik van het merk wordt gemaakt voor de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven en daarvoor geen geldige reden bestaat, kan het merkrecht vervallen worden verklaard.

Normaal gebruik betekent niet dat ieder gebruik voldoende is. Het gebruik moet daadwerkelijk beantwoorden aan de wezenlijke functie van het merk en mag niet uitsluitend symbolisch zijn om het recht kunstmatig in stand te houden.

Een merk kan daarnaast vervallen worden verklaard wanneer het door toedoen of nalaten van de merkhouder in de handel de gebruikelijke benaming is geworden voor de waar of dienst waarvoor het is ingeschreven. Dit wordt ook wel verwording tot soortnaam genoemd.

Ook kan vervallenverklaring volgen wanneer het merk door het gebruik dat ervan wordt gemaakt door de merkhouder, of met diens toestemming, het publiek kan misleiden, bijvoorbeeld over de aard, kwaliteit of geografische herkomst van de betrokken waren of diensten.

Nietigheid

Nietigverklaring verschilt van vervallenverklaring. Bij nietigheid wordt beoordeeld of de inschrijving reeds bij registratie in strijd was met wettelijke vereisten of conflicteerde met oudere rechten.

Nietigheid kan bijvoorbeeld worden gebaseerd op absolute gronden, zoals het ontbreken van onderscheidend vermogen, een uitsluitend beschrijvend karakter, strijd met de openbare orde of goede zeden, of andere wettelijke uitsluitingsgronden.

Daarnaast kan nietigheid op relatieve gronden worden ingeroepen wanneer een jonger merk bijvoorbeeld conflicteert met een ouder merk of een ander ouder recht waarvoor het BVIE bescherming biedt.

Een verzoek tot vervallenverklaring of nietigverklaring kan onder de voorwaarden van het BVIE worden ingesteld bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BOIP). Een doorhalingsprocedure kan onder meer worden gebaseerd op niet-gebruik, verwording tot soortnaam, misleidend gebruik of een conflict met een ouder recht.

Verval

Een merk kan op basis van verschillende gronden vervallen worden verklaard.

Nietigheid

Een merk kan op basis van verschillende gronden nietig worden verklaard. Deze gronden staan in artikel 2.2bis lid 1 BVIE. De volgende soorten merken kunnen, nadat ze onterecht zijn ingeschreven, nietig worden verklaard:

Zie ook

Referenties

  1. ↑ Geerts, Paul G.F.A., Verschuur, Alkema, Boelens, van der Kooij, de Lange, Speyart. Kort Begrip van het Intellectuele Eigendomsrecht, 14e druk. Wolters Kluwer, p. 257.
  2. ↑ Geerts, Paul G.F.A., Verschuur, Alkema, Boelens, van der Kooij, de Lange, Speyart (2020). Kort Begrip van het Intellectuele Eigendomsrecht, 14e druk. Wolters Kluwer, Deventer, p. 257-260. ISBN 9789013157345.
  3. ↑ Europese Unie, Richtlijn (EU) 2015/2436.
  4. ↑ Europese Unie, Verordening (EU) 2017/1001.
  5. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, artikel 2.2. Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  6. ↑ Verordening (EU) 2017/1001 inzake het Uniemerk. EUR-Lex. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  7. ↑ Filing International Trademark Applications: The Process. World Intellectual Property Organization. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  8. ↑ Summary of the Madrid Agreement and Madrid Protocol. World Intellectual Property Organization. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  9. 1 2 3 Hoe vraag ik een merk aan?. Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  10. 1 2 3 Hoe controleer ik of mijn merk niet geweigerd wordt?. Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  11. ↑ Artikel 2.1 van het Benelux-Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom; Artikel 3 van de Europese Merkenrichtlijn (2015/2436); Artikel 4 van Uniemerkverordening (2017/1001).
  12. ↑ Verordening (EU) 2017/1001 inzake het Uniemerk, artikel 4. EUR-Lex. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  13. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, artikel 2.2bis. Overheid.nl. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  14. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, artikel 2.2bis lid 1. Overheid.nl. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  15. ↑ Richtlijnen toetsing op absolute gronden. Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  16. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, artikel 2.2bis. Overheid.nl. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  17. ↑ Richtlijnen oppositie. Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  18. ↑ Richtlijnen oppositie. Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  19. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, artikel 2.20. Overheid.nl. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  20. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, artikel 2.20 lid 2 onder a. Overheid.nl. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  21. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, artikel 2.20 lid 2 onder b. Overheid.nl. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  22. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, artikel 2.20 lid 2 onder c. Overheid.nl. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  23. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, artikel 2.20 lid 2 onder d. Overheid.nl. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  24. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, artikel 2.23. Overheid.nl. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  25. ↑ HvJ EU 11 november 1997, C-251/95 (SABEL/Puma). EUR-Lex. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  26. ↑ HvJ EU 29 september 1998, C-39/97 (Canon). EUR-Lex. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  27. ↑ HvJ EU 29 september 1998, C-39/97 (Canon). EUR-Lex. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  28. ↑ HvJ EU 29 september 1998, C-39/97 (Canon). EUR-Lex. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  29. ↑ HvJ EU 11 november 1997, C-251/95 (SABEL/Puma). EUR-Lex. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  30. ↑ HvJ EU 11 november 1997, C-251/95 (SABEL/Puma). EUR-Lex. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  31. ↑ HvJ EU 29 september 1998, C-39/97 (Canon). EUR-Lex. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  32. ↑ HvJ EU 22 juni 1999, C-342/97 (Lloyd Schuhfabrik Meyer). EUR-Lex. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  33. ↑ HvJ EU 22 juni 1999, C-342/97 (Lloyd Schuhfabrik Meyer). EUR-Lex. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  34. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, artikelen 2.25 en 2.26. Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  35. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, artikel 2.25. Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  36. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, artikelen 2.23bis en 2.27. Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  37. ↑ Benelux-Gerechtshof, zaak C-2023-5 en C-2023-6. Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  38. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, artikel 2.27 lid 1 onder a. Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  39. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, artikel 2.27 lid 1 onder b. Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  40. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, artikelen 2.2bis en 2.28. Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  41. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, artikelen 2.2ter en 2.28. Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  42. ↑ Hoe dien ik een doorhaling van een merk in?. Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Geraadpleegd op 6 oktober 2026.
  43. 1 2 Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, art. 2.26.
  44. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, art. 2.27 lid 2.
  45. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, art. 2.27 lid 1(a).
  46. ↑ Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, art. 2.27 lid 1(b).