Moderne Monetaire Theorie of Moderne Geldtheorie (MMT) is een heterodoxe macro-economische theorie over de rol van het begrotingsbeleid en het monetair beleid van soevereine overheden die in hun eigen valuta lenen en overheidsschuld uitgeven.
MMT wijkt af van de economische mainstreamconsensus doordat zij het conventionele model van onafhankelijkheid van de centrale bank verwerpt. Volgens MMT moet de verantwoordelijkheid voor het bereiken van volledige werkgelegenheid met behoud van prijsstabiliteit bij de verkozen overheid liggen, waarbij de centrale bank zich beperkt tot het accommoderen van de budgettaire behoeften van de overheid.
Binnen MMT worden overheidsuitgaven gefinancierd door middel van geldschepping, zonder de bedoeling deze later te herfinancieren via belastingen. Voorstanders van MMT erkennen dat door geldschepping gefinancierde uitgaven alleen houdbaar zijn zolang de economie over onbenutte capaciteit beschikt, zoals werkloze werknemers en onderbenutte productiefaciliteiten. Zodra de volledige capaciteit is bereikt, zal verdere geldschepping inflatie veroorzaken. De overheid moet die volgens MMT tegengaan door de belastingen te verhogen, zodat de particuliere consumptie en de investeringen afnemen.
Naast haar voorstellen voor het macro-economische beleid omvat MMT een geldtheorie die vaak met neochartalisme wordt geassocieerd, beginselen die op de nationale rekeningen zijn gebaseerd en voorstellen voor de arbeidsmarkt, zoals een jobgarantie.
MMT staat tegenover de economische mainstream en haar neoklassieke macro-economische kaders en is door veel mainstream-economen bekritiseerd. In een enquête uit 2019 onder vooraanstaande Amerikaanse economen stemde geen enkele respondent in met de basisprincipes van MMT. MMT is eveneens verworpen door veel economen uit anderszins uiteenlopende stromingen, waaronder keynesiaanse economen en economen uit de Oostenrijkse School.
De intellectuele wortels van de MMT liggen in chartalistische geldtheorieën van Knapp en Mitchell-Innes, die beiden op basis van historisch onderzoek opmerkten dat geld door overheden 'uit het niets' kan worden geschapen in de vorm van ongedekt munt- of papiergeld, en dat dit al duizenden jaren gebeurt. Minsky verklaarde dat dit geld waarde krijgt door belastingen en boetes, dat wil zeggen, doordat de overheid zelf betalingen in het anders waardeloze geld verplicht stelt, en zo de vraag naar geld op gang brengt.
De macro-economische implicaties van MMT worden verklaard aan de hand van de sectorbalansanalyse van Godley. Die verdeelt een (gesloten) economie in een private en een overheidssector, zodat de besteding van het nationaal inkomen in een gesloten economie op twee manieren kan worden beschreven.
We hebben nu C + I + G = C + S + T, dus I + G = S + T en dus G − T = S − I, met links de begroting van de overheid, rechts die van de private sector. Hieruit volgt onmiddellijk dat een begrotingsoverschot in de ene sector gelijk is aan het tekort in de andere. Grote overheidsuitgaven jagen de besparingen in de private sector aan, terwijl hoge belastingdruk ten koste gaat van de private besparingen. In dat laatste geval moet het private tekort worden opgevuld met geleend geld.
De redenering tot zover is nauwelijks omstreden, maar wat de MMT hieraan toevoegt is de stelling dat het opvoeren van overheidsbestedingen een beter idee is dan het laten lenen door de private sector, omdat er in het eerste geval geen schuld ontstaat, in de zin dat een staatsbankroet onmogelijk is. Het moderne fiatgeld wordt immers niet gedekt door een goed dat schuldeisers kunnen komen opeisen. In de mainstream-economie en ook in politiek en wetgeving wordt het aangaan van begrotingstekorten voorgesteld als het aangaan van een staatsschuld: als een lening van de centrale bank, die de obligaties van de overheid opkoopt. De MMT-economen bezien overheid en centrale bank echter als één geheel (de overheidssector) en concluderen dat de overheid leent van zichzelf. De obligatieverkoop beïnvloedt de rentestand en is daarmee onderdeel van monetair beleid, maar niet van fiscaal beleid. De staatsschuld is vooral een telling van de hoeveelheid basisgeld, niet een echte schuld. Uit deze redenering volgen de volgende conclusies:
MMT-economen stellen dat in de Verenigde Staten volledige werkgelegenheid kan worden bereikt door middel van een federaal gefinancierd programma voor het scheppen van publieke banen, dat vaak wordt omschreven als een jobgarantie of een programma voor werkgelegenheid in de publieke dienstverlening. Volgens hen slagen moderne kapitalistische economieën er niet op betrouwbare wijze in volledige werkgelegenheid te creëren en te behouden. Onvrijwillige werkloosheid is daarom een terugkerend kenmerk van dergelijke economieën. Het programma zou werk aanbieden aan mensen die willen werken, maar anders werkloos zouden zijn. Het zou tijdens recessies worden uitgebreid en worden ingekrompen wanneer de werkgelegenheid in de privésector zich herstelt.
Volgens MMT-economen zou een programma voor werkgelegenheid in de publieke dienstverlening verschillende voordelen hebben. Zij stellen dat het zowel de economische activiteit als de huishoudinkomens zou helpen stabiliseren. Doordat de uitgaven voor het programma met de conjunctuur zouden toe- en afnemen, zou ook de overheidsbegroting anticyclisch reageren, waardoor conjunctuurschommelingen worden getemperd. Voorstanders van MMT stellen verder dat het programma als anker voor de lonen en prijzen zou functioneren.
Econoom Thomas Palley merkt op dat het programma voor het scheppen van overheidsbanen binnen MMT een centralere rol speelt dan op het eerste gezicht duidelijk is, omdat het door MMT voorgestelde begrotingsbeleid problemen zou ondervinden bij het fijnregelen van de economie. Andere critici, zoals Buiter en Mann (2019), stellen dat het succes van een dergelijk programma afhankelijk zou zijn van veeleisende voorwaarden waaraan in de praktijk mogelijk niet wordt voldaan. Daartoe behoort het vermogen van de overheid om een permanente voorraad productieve en zinvolle banen in stand te houden die op korte termijn beschikbaar kan worden gesteld. Zij stellen ook dat publieke werkgelegenheid die uit werk met weinig economische waarde bestaat of de vaardigheden van werknemers niet op peil houdt, kan lijken op werkloosheidsuitkeringen in een andere vorm. Andere mogelijke nadelen zijn de verdringing van werkgelegenheid in de privésector wanneer werknemers de voorkeur geven aan beter betaalde of minder veeleisende overheidsbanen, en inflatoire druk wanneer het programma een effectieve loonbodem voor de gehele economie tot stand brengt.
Econoom Malcolm Sawyer onderscheidt vier belangrijke tekortkomingen van voorstellen voor een jobgarantie. Ten eerste moeten de aangeboden banen, wanneer deze maatschappelijk nuttig zijn, permanent worden georganiseerd op basis van maatschappelijke behoeften, in plaats van mee te schommelen met de vraag in de privésector. Ten tweede zouden dergelijke banen op of onder het minimumloon moeten worden betaald. Daardoor kunnen ze neerwaartse druk uitoefenen op vergelijkbare lonen in de publieke sector, terwijl ze nog steeds aantrekkelijker kunnen zijn dan onzeker of ontoereikend werk in de privésector. Ten derde kan het programma de reguliere publieke werkgelegenheid ondermijnen doordat gewone overheidsbanen worden vervangen door jobgarantiebanen tegen het minimumloon. Ten vierde zou het programma op de juiste plaatsen over productieve capaciteit in de juiste omvang moeten beschikken om mensen te werk te stellen die anders werkloos zouden zijn. Sawyer beschouwt dit als een belangrijke praktische beperking.
MMT-economen erkennen dat monetaire soevereiniteit veeleer een spectrum vormt dan een binaire toestand. Volgens hen verschilt de toepasbaarheid van MMT tussen landen naargelang hun mate van monetaire soevereiniteit. Dit heeft uiteenlopende gevolgen voor de Verenigde Staten enerzijds en de lidstaten van de eurozone of landen met valutasubstitutie anderzijds.
Voorstanders van MMT stellen dat op MMT gebaseerde beleidsmaatregelen toepasbaar zijn in alle landen die hun eigen soevereine valuta uitgeven, hoewel zij erkennen dat kleine open economieën in het mondiale Zuiden over minder beleidsruimte kunnen beschikken dan grote, welvarende landen. Randall Wray stelt daarnaast dat kleinere of armere landen met een eigen soevereine valuta gebruik moeten maken van flexibele wisselkoersen. Econoom Gerald Epstein (2020) betwist de empirische grondslag van deze beweringen. Volgens hem wijst het beschikbare bewijs erop dat veel landen met een eigen soevereine valuta nog steeds kunnen worden beperkt door financiële speculatie en plotselinge stops van kapitaal uit de internationale kapitaalmarkten. Daardoor kunnen zij zowel bij vaste als bij flexibele wisselkoersregimes mogelijk geen volledige werkgelegenheid bereiken. Epstein concludeert dat de praktische toepasbaarheid van MMT grotendeels beperkt kan zijn tot landen die belangrijke internationale valuta uitgeven.
De Verenigde Staten beschikken over bijzonder ruime budgettaire en monetaire beleidsruimte, omdat zij de dominante internationale reservevaluta, de Amerikaanse dollar, uitgeven. Wray heeft gesteld dat het onwaarschijnlijk is dat de dominante positie van de dollar in de voorzienbare toekomst wordt bedreigd. Epstein (2020) stelt daarentegen dat de status van sleutelvaluta kan eroderen wanneer geloofwaardige rivalen ontstaan. Hij noemt China en, in mindere mate, de eurozone als mogelijke uitdagers. Hij stelt verder dat aanwijzingen voor een overgang naar een systeem met meerdere valuta's betekenen dat dollarhouders gemakkelijker van de dollar kunnen afstappen als reactie op vermeende risico's, zoals instabiele wisselkoersen, hoge inflatie of dreigend staatsbankroet. Dit zou het vermogen van de Verenigde Staten beperken om op het "exorbitante privilege" van de dollar te vertrouwen.
In een studie uit 2024 toetsten Chunping Liu, Patrick Minford en Zhirong Ou MMT voor de Verenigde Staten aan de hand van een macro-economisch model van de economie na de financiële crisis van 2008. Zij vergeleken een op MMT gebaseerd model, waarin overheidstekorten door geldschepping kunnen worden gefinancierd en inflatie hoofdzakelijk door belastingen wordt beheerst, met een standaardmodel uit de nieuwkeynesiaanse economie. Hun simulaties suggereerden dat de door MMT-economen bepleite coördinatie van het monetaire en budgettaire beleid geen verbetering zou opleveren in de stabiliteit van de inflatie of de reële rente, maar de productie aanzienlijk zou destabiliseren, de algemene macro-economische stabiliteit zou ondermijnen en de welvaart van huishoudens zou verminderen. De auteurs concludeerden daarom dat MMT geen overtuigende basis voor toekomstig economisch beleid biedt.

Volgens econoom Sebastián Edwards vertonen verschillende gevallen in Latijns-Amerika waarin overheidsuitgaven door de centrale bank via geldschepping werden gefinancierd, overeenkomsten met de beleidsideeën van voorstanders van MMT. Deze episodes verliepen doorgaans in verschillende fasen. Eerst trad een korte opleving op die door hogere overheidsuitgaven werd veroorzaakt. Vervolgens ontstonden knelpunten en onevenwichtigheden, waarna prijscontroles en deviezencontroles werden ingevoerd. Daarna ging het vertrouwen in de nationale valuta verloren, doordat consumenten de binnenlandse valuta verlieten. Uiteindelijk werd de regering vervangen en stond haar opvolger voor de moeilijke taak de macro-economische stabiliteit te herstellen. Edwards bespreekt in dit verband Chili (1970–1973), Peru (1985–1990), Argentinië (2003–2015) en Venezuela (sinds 1998). Hij merkt op dat deze landen over hun eigen, niet-gekoppelde valuta beschikten, een voorwaarde die ook binnen MMT belangrijk wordt geacht. Volgens Edwards gingen deze gevallen gepaard met zeer hoge inflatie, bijvoorbeeld 500% in Chili in 1973, 1000% in Venezuela in 2017 en 7000% in Peru in 1990, doordat de vraag naar de binnenlandse valuta instortte.
Volgens econoom Emilio Ocampo, die hierover in 2020 schreef, voert Argentinië sinds 1946, met korte onderbrekingen, een beleid dat vergelijkbaar is met het beleid dat met MMT wordt geassocieerd. Hij stelt dat landen die een dergelijk beleid consequent toepassen waarschijnlijk te maken krijgen met hoge inflatie en zwakke of zelfs negatieve economische groei.
MMT-voorstander Stephanie Kelton heeft gesteld dat Japan MMT al enige tijd in de praktijk brengt. Volgens econoom Sayuri Shirai wordt deze bewering in Japan algemeen beschouwd als een verkeerde interpretatie van het beleid van de Bank van Japan. Grootschalige aankopen van overheidsobligaties en het handhaven van een rendementsdoelstelling van ongeveer 0% betekenen op zichzelf namelijk niet dat Japan een MMT-regime toepast. Keltons opvatting werd eveneens verworpen door premier Shinzo Abe en gouverneur Haruhiko Kuroda van de Bank van Japan. Zij wezen op de toezegging van de regering om de begrotingsdiscipline te herstellen. Volgens Shirai maken arbeidstekorten, bevolkingsvergrijzing en een aanhoudend lage inflatie het moeilijk om op MMT gebaseerde begrotingsstimulansen in Japan toe te passen. Shirai stelt dat Japan nog maar weinig onbenutte economische capaciteit heeft, doordat ongunstige demografische ontwikkelingen tot ernstige arbeidstekorten hebben geleid. Aanvullende overheidsuitgaven kunnen daardoor de beperkingen op de arbeidsmarkt versterken en activiteiten van de privésector verdringen. Zij stelt ook dat een langdurige omgeving met lage rentevoeten de productiviteitsgroei kan verzwakken doordat zombiebedrijven in stand worden gehouden en noodzakelijke bedrijfsherstructureringen worden ontmoedigd.
De MMT-voorstanders William Mitchell, Martin Watts en L. Randall Wray voeren Japan ook aan als bewijs dat een land langdurige begrotingstekorten en een zeer hoge overheidsschuld van meer dan 200% van het bbp kan volhouden zonder dat dit tot sterk hogere rentevoeten of meer werkloosheid leidt. Econoom Mark Skousen stelt echter dat deze interpretatie voorbijgaat aan de zwakke economische groei van Japan sinds 1992, die in reële termen gemiddeld ongeveer 0,9% per jaar bedroeg. Hij brengt deze groei in verband met langdurige en grootschalige tekortfinanciering.
MMT wordt geassocieerd met een kleine, deels overlappende groep economen die verbonden zijn aan de Universiteit van Missouri-Kansas City en het Levy Economics Institute. Vooraanstaande pleitbezorgers van MMT zijn onder anderen Matthew Forstater, Scott Fullwiler, Stephanie Kelton, Bill Mitchell, Warren Mosler en L. Randall Wray.
Volgens Carnevali en Fontana zijn de belangrijkste voorstanders van MMT een formele academische discussie met mainstream-economen grotendeels uit de weg gegaan. Zij publiceren zelden formele academische artikelen die erop gericht zijn deze economen te overtuigen of met hen in debat te gaan. In plaats daarvan hebben zij zich gericht op het beïnvloeden van beleidsmakers en het bredere publiek. Carnevali en Fontana suggereren dat deze strategie voortkomt uit de opvatting onder MMT-wetenschappers dat mainstream-economen doorgaans niet ontvankelijk zijn voor niet-mainstreamtheorieën en -beleid. Voorstanders van MMT hebben daarom buiten de academische wereld steun proberen op te bouwen, in de verwachting dat druk vanuit het publieke debat en beleidsdiscussies mainstream-economen uiteindelijk zou dwingen MMT serieus te nemen. Carnevali en Fontana stellen dat hierdoor een groot deel van het debat over MMT buiten de conventionele wetenschappelijke context heeft plaatsgevonden, onder meer in kranten, op sociale media, in podcasts en op andere fora die worden gedomineerd door niet-professionele economen.
Volgens de nieuwkeynesiaanse econoom Gregory Mankiw is MMT niet voortgekomen uit prominente academische debatten aan vooraanstaande universiteiten, maar uit een betrekkelijk kleine uithoek van de academische wereld. Hij stelde dat MMT pas brede publieke aandacht kreeg nadat de theorie werd uitgedragen door prominente politici als Bernie Sanders en Alexandria Ocasio-Cortez, omdat de uitgangspunten ervan aansloten bij hun beleidsvoorkeuren.
Uit een enquête uit 2019 onder vooraanstaande economen, uitgevoerd door het Initiative on Global Markets van de University of Chicago Booth School of Business, bleek dat zij unaniem twee door de enquête aan MMT toegeschreven beweringen verwierpen: "Landen die in hun eigen valuta lenen, hoeven zich geen zorgen te maken over overheidstekorten, omdat zij altijd geld kunnen creëren om hun schuld te financieren" en "Landen die in hun eigen valuta lenen, kunnen door geld te creëren zoveel reële overheidsuitgaven financieren als zij willen".
Volgens econoom Mark Skousen is MMT ongebruikelijk doordat de theorie kritiek heeft gekregen van economen uit een breed ideologisch spectrum, van keynesianen tot aanhangers van de Oostenrijkse School. Hij noemt Paul Krugman, Robert Shiller, Kenneth Rogoff, Lawrence Summers, Steve Hanke en Robert P. Murphy als uitgesproken critici en stelt dat zij MMT als slecht en zelfs gevaarlijk beleid beschouwen.
Kasongo Kashama van de Nationale Bank van België stelt dat een van de krachtigste bezwaren tegen het toevertrouwen van de macro-economische stabilisatie aan verkozen regeringen is dat zij veel prikkels hebben om procyclisch te handelen. Regeringen kunnen tijdens een hoogconjunctuur bijvoorbeeld onvoldoende sparen als gevolg van politieke principaal-agentproblemen. Verkozen politici zijn daarnaast onderhevig aan politieke kortzichtigheid. Zij geven de voorkeur aan budgettaire expansie op korte termijn die onmiddellijk politiek voordeel oplevert, terwijl zij minder gewicht toekennen aan de inflatierisico's op langere termijn die voortvloeien uit het nastreven van onrealistische productiedoelstellingen. Wanneer overheden en publieke instellingen uitgaven bovendien via geldschepping kunnen financieren in plaats van via de uitgifte van overheidsobligaties, kunnen zij deze ogenschijnlijk gemakkelijke geldbron uiteindelijk voor niet-productieve doeleinden gebruiken.
Kritiek op de MMT en haar beleidsvoorstellen richt zich onder andere op de geldtheorie die de basis van de MMT vormt. Naast fiduciair overheidsgeld zijn uit de geschiedenis ook goederengeld en chartaal bankgeld bekend. Volgens Huber stelt de MMT de overheid voor als veel te machtig, terwijl de commerciële banken, die het grootste deel van de geldvoorraad scheppen (zie Fractioneel bankieren) veel te passief lijken. Shaikh benadrukt dat alle marktpartijen de vrijheid hebben om onderling in ander geld te betalen dan het wettig betaalmiddel en stelt dat de neochartalisten de oorsprong van het geld en de staat vervormen om een logische grondslag voor de jobgarantie te verkrijgen.
Binnen het kader van de postkeynesiaanse school gelden Lavoie en Palley als voorname critici. Palley beschrijft MMT als voornamelijk een versimpelde versie van keynesiaanse principes, waarin centrale banken te gemakkelijk met overheden op een hoop worden gegooid en multipliereffecten niet worden onderkend. De grote zwakte van de theorie is echter dat zij is opgevat in het kader van een relatief gesloten economie zoals die van de Verenigde Staten. Wanneer in een open economie het overheidstekort gefinancierd wordt door buitenlandse schulden, is de grens vlug bereikt, zoals gebeurde tijdens de Latijns-Amerikaanse schuldencrisis van de jaren tachtig.