Musica reservata is een term voor klassieke muziek. Over de precieze betekenis van deze term bestaat discussie onder musicologen, aangezien vermeldingen van de term dubbelzinnig en tegenstrijdig zijn. Musica reservata kan mijn letterlijk vertalen als 'terughoudende muziek', en is dus te begrijpen als muziek voor de kenners en niet voor eender wie. De consensus onder musicologen is dat de term verwijst naar een vernieuwende praktijk die stamt uit de derde generatie van de Franco-Vlaamse School, maar pas algemeen gebruikt is vanaf de vijfde generatie (laat 16e eeuw). In deze praktijk speelden affect in de tekstzetting, woordschildering en mogelijk chromaticisme een rol, zowel in de compositie als in de uitvoering.
Orlando di Lasso was de eerste bekende componist die veelvuldig chromatiek gebruikt in religieuze muziek. Later hebben ook niet-Nederlandse componisten zoals Carlo Gesualdo (Italië) deze middelen toegepast.
De beleving van muziek werd langzaam uitgebreid door het gebruik van tussendominanten en later tussensubdominanten. Hiermee wordt een vroegtijdig einde gesuggereerd door middel van een cadens (harmonische trappen: V–I) waarna de muziek toch haar weg vervolgt.
De belangrijkste componisten die geassocieerd worden met musica reservata zijn Nicola Vicentino, Philippus de Monte en vooral Orlando di Lasso. Vicentino beschreef deze stijl in zijn werk L'antica musica ridotta alla moderna prattica (1555). De Monte was productieve madrigaalcomponist die voornamelijk in Wenen werkzaam was. Di Lasso was een beroemde en veelzijdige componist die in München werkte. Hij heeft met het werk Prophetiae Sibyllarum over de Sibylle van Cumae, waarschijnlijk uit 1560, twaalf werken geschreven die wellicht het hoogtepunt van de ontwikkeling van de stijl vertegenwoordigen en waarin hij veelvuldig chromatiek toepast. Het affect dat Lassus met deze chromatiek wil bereiken is het destabiliseren van de toehoorder door het overbrengen van emoties uit de tekst: pijn, verdriet, lijden, dood, maar ook geheimzinnigheid. De akkoordprogressie waarmee dit werk begint, ligt zelfs voor oren die gewend zijn aan de muziek van de twintigste eeuw hard in het gehoor: de openingsakkoorden zijn C majeur – G majeur – B majeur – Cis mineur – E majeur – F# mineur, allemaal in grondligging, op de tekst "Carmina chromatico quae audis modulata tenore" ("De liederen die je zult horen zijn op chromatische tenor gemusiceerd”).