| Kleine stinkzwam | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Kleine stinkzwam | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Mutinus caninus (Schaeff.) Fr. (1849) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Phallus caninus | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
De kleine stinkzwam (Mutinus caninus) is een schimmel uit de familie Phallaceae (stinkzwammen). Het is een saprotrofe soort die vooral voorkomt op humusrijke grond en bij sterk verteerd hout in loof- en gemengde bossen, maar ook in lanen en parken.
Kenmerkend is het slanke vruchtlichaam met een oranjerode top, die aanvankelijk wordt bedekt door een olijfgroene, slijmerige sporenmassa (gleba). De geur is onaangenaam, maar doorgaans aanzienlijk zwakker dan die van de grote stinkzwam (Phallus impudicus).
De soort werd in 1774 door Jacob Christian Schäffer beschreven als Phallus caninus. Elias Magnus Fries plaatste de soort in 1849 in het geslacht Mutinus.
De naam Phallus caninus werd in 1778 ook door de Britse botanicus William Hudson gebruikt. Deze naam geldt volgens Species Fungorum als een latere, illegitieme naam, omdat Schäffer dezelfde soortnaam reeds in 1774 had gepubliceerd. In oudere literatuur en sommige databanken wordt daarom nog de auteurscombinatie Mutinus caninus (Huds.) Fr. aangetroffen.
Het jonge vruchtlichaam ontwikkelt zich grotendeels ondergronds als een zogenoemd duivelsei. Dit is witachtig, leerachtig en ongeveer 2–4 cm groot. Aan de onderzijde bevinden zich vaak lange, witte rhizomorfen waarmee het vruchtlichaam met het onderliggende substraat is verbonden.
Binnen de buitenwand bevindt zich een gelatineuze laag waarin het nog samengevouwen vruchtlichaam ligt. Bij rijpheid scheurt het omhulsel aan de bovenzijde open. De resten ervan blijven als een zakvormige volva aan de voet van het vruchtlichaam achter.
Het volgroeide vruchtlichaam wordt gewoonlijk 8–12 cm hoog. De steel is ongeveer 6–9 cm lang en 1–2 cm dik, hol en sponsachtig van structuur. De kleur varieert van witachtig en bleek geelbruin tot lichtoranje.
Het bovenste gedeelte is spits tot kegel- of eikelvormig en oranjerood. Het oppervlak is ondiep raatvormig. Bij jonge exemplaren wordt dit gedeelte grotendeels bedekt door een kleverige, donker olijfgroene tot olijfbruine sporenmassa (gleba).
Na het verdwijnen van de gleba, onder andere doordat deze door insecten wordt opgenomen, wordt de oranjerode structuur van de top zichtbaar. Het vruchtlichaam is zeer broos en kortlevend en kan na volledige ontwikkeling snel inzakken.
De gleba heeft een onaangename, min of meer aas- of mestachtige geur. De geur is meestal duidelijk zwakker dan bij de grote stinkzwam. De geur trekt onder andere vliegen aan. Zij bezoeken de gleba en dragen zo bij aan de verspreiding van de sporen.
De basidiosporen zijn zeer klein, glad, dunwandig en kleurloos (hyaliene). Ze zijn ellipsoïde tot langwerpig en meten ongeveer 4–5 × 1,5–2 µm. De sporen bevinden zich bij rijpheid in de slijmerige gleba en worden niet zoals bij veel plaatjeszwammen als een droog sporenpoeder afgezet.
De kleine stinkzwam is een terrestrische saprotroof. Hij leeft van dood organisch materiaal en wordt vooral aangetroffen op ruwe humus, zaagsel en bij of op sterk vermolmd loofhout. De soort groeit in loofbossen en gemengde bossen, maar ook in lanen, parken, plantsoenen en andere plaatsen waar voldoende verteerd plantaardig materiaal aanwezig is.
De soort is niet sterk aan één bodemtype gebonden. In Nederland is hij gemeld van voedselarme tot voedselrijke en van kalkarme tot kalkrijke zand-, leem- en kleibodems. Vruchtlichamen verschijnen afzonderlijk of in kleine groepen, meestal vanaf de zomer tot in de herfst.
De kleine stinkzwam heeft een groot verspreidingsgebied. De soort is vooral bekend uit Europa, maar is ook uit delen van Azië en Noord-Amerika gemeld.
In Nederland is de kleine stinkzwam wijdverspreid. Volgens de NDFF Verspreidingsatlas komt hij vooral voor in loof- en gemengde bossen, lanen en parken. Bij de interpretatie van oudere Nederlandse waarnemingen moet rekening worden gehouden met verwarring met de roze stinkzwam (Mutinus ravenelii); de Verspreidingsatlas vermeldt dat oudere meldingen van M. caninus gedeeltelijk op deze soort betrekking kunnen hebben.
De kleine stinkzwam kan vooral worden verward met andere soorten uit het geslacht Mutinus.
Zoals bij andere stinkzwammen worden de sporen hoofdzakelijk door dieren verspreid. De rijpe gleba verandert in een kleverige, olijfgroene massa met een onaangename geur. Vooral vliegen worden hierdoor aangetrokken en eten van de gleba of lopen eroverheen. De zeer kleine sporen worden vervolgens aan de buitenkant van het insect of via het spijsverteringskanaal naar andere plaatsen vervoerd.