Een natuurmonument is een al of niet beschermd gebied of landschapselement met bijzondere ecologische of aardkundige landschappelijke waarde, veelal tevens met bijzondere cultuurhistorische waarde. Een natuurmonument kan een publiekrechtelijk beschermde status hebben op grond van de in het betreffende land geldende wet en regelgeving. Grondeigenaren als organisaties of particulieren met een doelstelling van natuurbehoud zorgen daarnaast in de praktijk voor een privaatrechtelijke bescherming op basis ven het eigendomsrecht.

In Nederland is een beschermd natuurmonument een gebied dat als zodanig is aangewezen krachtens de Natuurbeschermingswet (NB-wet) op grond van de ecologische waarde, die in de aanwijzingsbeschikking wordt omschreven. Binnen de natuurbescherming wordt onderscheid gemaakt tussen bescherming van gebieden en bescherming van soorten (planten en dieren). Voor de natuurmonumenten zijn dan ook niet zozeer (zeldzame) dier- en plantensoorten van belang, maar eerder bijzondere ecosystemen (terreintypen) en andere terreingebonden zaken als geologische of landschappelijke aspecten.
De Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland is de grootste particuliere eigenaar van natuurterreinen in Nederland.
In Nederland zijn circa 200 natuurgebieden aangewezen als beschermd natuurmonument. Het grootste beschermd natuurmonument is de Waddenzee, die vrijwel geheel is aangewezen als staatsnatuurmonument.
De Natuurbeschermingswet 1998 maakt het mogelijk om natuurmonumenten te beschermen door aanwijzing als ‘beschermd natuurmonument’. De Natuurbeschermingswet 1998 is nu het voornaamste implementatiekader (uitvoeringsregeling) voor de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn van de Europese Unie. De procedure van gebiedsaanwijzing op basis van de oude natuurbeschermingswet wordt voor elk gebied opnieuw doorlopen met inachtneming van de Vogel- en Habitatrichtlijnen en van het Europese natuurbeschermingssysteem Natura 2000. De richtlijnen zijn inmiddels grotendeels van kracht. De aanwijzingsprocedures zijn nog niet geheel afgerond.
De Natuurbeschermingswet is oorspronkelijk in 1968 van kracht geworden als eigen, nationaal instrument voor de natuurbescherming. Op 1 oktober 2005 kwam een belangrijke wijziging tot stand (Natuurbeschermingswet 1998). Op dat moment hebben de provincies de rol van bevoegd gezag voor een groot deel van het rijk overgenomen. Voor plannen, projecten en handelingen die schade kunnen veroorzaken aan een Natura 2000-gebied of een beschermd natuurmonument dient men sindsdien bij de provincie een vergunning aan te vragen in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998.
Indien een gebied is aangewezen als beschermd natuurmonument is het op grond van artikel 16 lid 1 Natuurbeschermingswet 1998 verboden om zonder vergunning handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied of voor dieren of planten in het gebied of die het gebied ontsieren. Ook is het verboden in strijd met de bij een vergunning gestelde voorschriften of beperkingen handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen.
In staats- en beschermde natuurmonumenten zijn in beginsel alle voor het natuurmonument schadelijke activiteiten verboden, tenzij daarvoor een vergunning is afgegeven. De aanwijzingsbeschikking moet per gebied aangeven wat voor schadelijke zaken zoal aan de orde zouden kunnen komen en dus bij uitstek verboden, of vergunningsplichtig zijn. Vaak gaat het natuurlijk om ingrepen binnen het gebied zelf, maar de beheermaatregelen van natuurbeheersorganisatie vallen daar doorgaans buiten.
De Natuurbeschermingswet was oorspronkelijk mede bedoeld om door middel van voorlopige aanwijzingen als middel om spoedmaatregelen te kunnen nemen, zoals een verbod om te ontginnen. De overheid tracht autoritair optreden echter altijd zo veel mogelijk te vermijden. Schadelijke ingrepen binnen het gebied zelf probeert men doorgaans vóór te zijn door middel van aankoop en beheer door een natuurbeheerder, zoals het Staatsbosbeheer of de Vereniging Natuurmonumenten. In veruit de meeste gevallen zijn Nederlandse Natuurmonumenten trouwens qua eigendom reeds lang grotendeels of geheel in 'veilige' handen.
De Natuurbeschermingswet kent ook een externe werking, en kan dus ook van toepassing zijn buiten, maar dicht bij een aangewezen gebied. De belangrijkste onderwerpen in de externe werking zijn in de praktijk de bescherming van de waterhuishouding en de depositie van ammoniak door omringende veehouderijen. Lang niet alle natuurgebieden zijn daar gevoelig voor, en zo niet, dan gelden ook geen verboden.

In Duitsland worden natuurmonumenten van rechtswege beschermd op basis van § 28 van de Bundesnaturschutzgesetzes en op deelstaatniveau op basis van de Länder-Naturschutzgesetzen.
De Verenigde Staten kennen zogenaamde National Monuments. Hieronder vallen onder meer kliffen, forten en archeologische plaatsen. Dit type locaties valt onder categorie III van de International Union for Conservation of Nature and Natural Resources (IUCN). Ook locaties met een bezonderee betekenis voor de inheemse bevolking kunnen zijn aangemerkt als National Monument.