New Criticism (Nieuwe Kritiek) was een beweging in de Amerikaanse literaire kritiek van de jaren 1930 tot de jaren 1960. De naam is afkomstig van het book The New Criticism van John Crowe Ransom uit 1941. Enkele andere belangrijke vertegenwoordigers waren Cleanth Brooks, R.P. Blackmur en Allen Tate. De beweging werd sterk beïnvloed door hoe T.S. Eliot over literatuur dacht en hoe I.A. Richards de bespreking van teksten zag.
New Criticism onderscheidde zich door de nadruk te leggen op de intrinsieke aspecten van een gedicht in plaats van op zijn biografische of historische ontstaanscontext. Haar aanhangers distantieerden zich onder meer nadrukkelijk van de auteursintentie. De betekenis moest uitsluitend uit de woorden op het blad volgen. De rol van de criticus was de complexe woordstructuur van het gedicht te ontleden, waarbij de betekenis zichtbaar werd door diepgaande analyse.
Daarmee plaatste New Criticism zich binnen de bredere strekking van het formalisme. Voor de formalisten behoren literaire teksten niet tot een bijzonder tijdvak, maar zijn ze daarentegen universeel. Ze overstijgen de historische context van hun productie en hun receptie. Het literaire werk is esthetisch autonoom, heeft zijn eigen wetten en vormt een wereld op zichzelf.
Aanhangers van de beweging waren selectief in de keuze van de werken die ze onderzochten: vooral korte lyrische gedichten met een bijzondere intellectuele complexiteit, zoals die van John Donne. Ze zochten naar ironie, paradox, tegenstrijdigheid en spanning, terwijl hun kritiek uitging van de gedachte dat een gedicht die tegenstellingen kon verzoenen. Zo verkozen ze bijvoorbeeld de metaphysical poets boven de romantici.
De essaybundels The Well Wrought Urn van Cleanth Brooks (1947) en The Verbal Icon van William Kurtz Wimsatt (1954, hieronder vermeld in de heruitgave van 1989) geven de strekking van New Criticism weer.
Britse critici uit dezelfde periode zoals William Empson deelden de aanpak van diepgaande lectuur maar bleven open voor de betekenis die het gedicht op meerdere niveaus kan hebben, zonder nadrukkelijk te zoeken naar de quasi-religieuze gedachte van de verzoening van tegenstellingen.
Een centraal concept in New Criticism is de intentional fallacy of bedoelingsmisvatting: de auteursintentie bij het schrijven van een werk is 'noch beschikbaar, noch wenselijk als standaard bij het beoordelen van een literair werk.' Al wat we hebben is de tekst: het is niet de taak van de criticus om de totaal verschillende vraag te beantwoorden naar wat de auteur nu wel heeft bedoeld. Zelfs als we een levende auteur benaderen en hem naar zijn bedoeling vragen, krijgen we niets anders dan een nieuwe tekst (het antwoord), die dan op zijn beurt voorligt ter interpretatie. Een 'interview met de auteur' vertelt vaak meer over de auteur dan over zijn tekst:
De term werd voor het eerst gebruikt door Wimsatt en Beardsley in The Verbal Icon (1954).
Een andere grote vergissing van de vroegere en met name de impressionistische kritiek, aldus de aanhangers van New Criticism, is de affective fallacy (gevoelsdwaling). Ze bestaat erin een gedicht te beoordelen naar zijn emotionele effect op de lezer. New Criticism gaat daarmee lijnrecht in tegen een lange traditie beginnend bij Aristoteles (het doel van de tragedie is angst en medelijden op te wekken) maar ook recentere dichters als Emily Dickinson: "Als ik een lichamelijk gevoel krijg alsof de bovenkant van mijn hoofd wordt weggenomen, dan weet ik dat het poëzie is."
De subjectiviteit van lyriek heeft lezers en critici ertoe geleid romantische poëzie te lezen als de uitdrukking van de ervaringen en gevoelens van de dichter. Moderne kritiek, en met name ook New Criticism, plaatst daartegenover de notie van de verteller als persona. Het gedicht, net zoals een roman die in de eerste persoon is geschreven, vertelt de ervaringen van een fictief, door de auteur gecreëerd personage. Een gedicht kan gelezen worden als een monoloog in een toneelstuk, waar de toeschouwers normaal geen enkel probleem hebben om het personage te onderscheiden van de schrijver zelf.
In het Nederlands gold het literaire tijdschrift Merlyn (1962-1966) als een kanaal van de voorvechters van close reading. In de inleiding tot het eerste nummer schrijft de redactie:
Vermeulen (2011) blikt als volgt terug op de invloed van het tijdschrift: