| Antarctische vissen | ||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Trematomus bernacchii | ||||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
| Onderorde | ||||||||||||||||
| Notothenioidei | ||||||||||||||||
| (en) World Register of Marine Species | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
Antarctische vissen (Notothenioidei) zijn een onderorde van de baarsachtigen (Perciformes).

De soorten in deze onderorde domineren de Antarctische wateren. Het bloed van deze vissen bevat hoge concentraties antivries-eiwitten. Het gen hiervoor is ontstaan gedurende het kouder worden van de wateren rond Antarctica. Ze worden ook wel ijsvissen genoemd, maar die naam zou voorbehouden moeten blijven aan de soorten van de familie van de krokodilijsvissen (Channichthyidae) die ook tot de Antarctische vissen behoren. Deze ijsvissen bezitten niet alleen antivries-eiwitten, maar hebben ook hun rode bloedlichaampjes en hemoglobine verloren. Ze overleven dankzij de grote hoeveelheid zuurstof die in het water opgelost is en door fysiologische aanpassingen zoals een goed vertakt systeem van bloedvaten en haarvaten onder de huid.
In de onderorde worden de volgende families ondergebracht:
De familie van de krokodilijsvissen (Channichthyidae) is de enige met echte ijsvissen met "wit bloed".
Met het openen van Straat Drake, tijdens de overgang van het Eoceen naar het Oligoceen, zo'n 30 miljoen jaar geleden, tussen wat sindsdien de zuidelijke punt van Zuid-Amerika en het Antarctisch Schiereiland zijn, ontstond de Antarctische circumpolaire stroom rond het continent Antarctica. De circumpolaire stroom houdt het warme water weg waardoor het klimaat op Antarctica kouder werd.
Er bestaan fossielen van vissen die rond Antarctica leefden toen er nog een warmer klimaat heerste, zo'n 100 miljoen jaar geleden. De vissen die er leefden stierven en lieten in het ecosysteem een niche achter die bestond uit extreem koud zuurstofrijk water. Er bestaat geen fossielenbestand van de huidige Antarctische vissen. Ze zouden geëvolueerd kunnen zijn daar waar het kouder werd, langs de kust van Antarctica sinds het begin van het Cenozoïcum, de laatste 66 miljoen jaar. De Notothenioidei stammen van een enkele voorouder af en vormen daarmee een monofyletische groep. Deze Antarctische vissen bestaan uit 130 tot 140 soorten en domineren met dit aantal en met hun biomassa de Antarctische fauna.
Hun genoom is rijk aan transposons of springende genen. Deze stukken DNA die van de ene naar de andere locus in het genoom springen, kunnen makkelijk schade toebrengen aan bestaande sequenties maar ze kunnen ook aan de basis staan voor nieuwe genen, zoals die voor de antivries-eiwitten. Het vermoeden bestaat dat de druk op het behoud van hemoglobine verlaagd is geweest door de aanwezigheid van zuurstofrijk water, waardoor eventuele inserties van transposons in de genen voor hemoglobine getolereerd werden. Dit zou dan hebben geleid tot de diversificatie in ijsvissen (krokodilijsvissen) waarin de genen voor hemoglobine zodanig gemuteerd zijn dat de vissen dat niet meer aanmaken (ze hebben "wit bloed"), en waarbij de zuurstofvoorziening wordt verzorgd zonder hemoglobine en rode bloedlichaampjes.