Ontvangsttheorie

De ontvangsttheorie is een theorie binnen het recht die rechtsgeldigheid aan verzonden documenten en verklaringen toekent op het moment waarop deze in ontvangst zijn genomen. Dit betekent dat een partij die in rechte een beroep wil doen op de geldigheid van deze verklaring (meestal de verzender) zal moeten aantonen dat de verklaring is ontvangen. Dit betekent dat bewijs van verzending onvoldoende is, in tegenstelling tot bij de verzendtheorie.

Om deze reden wordt belangrijke post aangetekend of per koerier verzonden. Vereist is dan wel dat men een ontvangstbewijs kan tonen. Ook bij communicatie per fax kan aangetoond worden dat het bericht door de andere partij is ontvangen. Bij e-mailberichten is dit meestal moeilijker, terwijl mondelinge verklaringen in het geheel niet na te trekken zijn. De dagtekening van de verklaring doet niet ter zake. Wanneer men zijn verklaring wil herroepen, kan dit door een nog sneller communicatiemiddel te gebruiken, bijvoorbeeld een fax met de oproep een eventuele nakomende brief te negeren.

De belangrijkste uitwerking van de ontvangsttheorie is in het Nederlands recht te vinden in artikel 3:37 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek, waarin bepaald wordt dat de verklaring pas werking heeft op het moment dat deze ontvangen is. Hoe dit doorwerkt in het recht is aan te tonen met een aantal praktische voorbeelden: