| De hut van Oom Tom | ||||
|---|---|---|---|---|
| Oorspronkelijke titel | Uncle Tom's Cabin; or, Life Among the Lowly | |||
| Auteur(s) | Harriet Beecher Stowe | |||
| Illustrator | Hammatt Billings (1ste editie) | |||
| Land | Verenigde Staten | |||
| Auteursrechtenstatus | publiek domein (landen met 100 jaar p.m.a. of korter) | |||
| Oorspronkelijke taal | Engels | |||
| Onderwerp | Slavernij | |||
| Genre | activistische literatuur, sentimentele roman, tendensroman | |||
| Uitgegeven | 20 maart 1852 (The National Era (reeks) & John P. Jewett and Company (in twee delen)) | |||
| Vervolg | A Key to Uncle Tom's Cabin (1853) | |||
| ||||
De hut van Oom Tom (ook De negerhut of De negerhut van Oom Tom) van Harriet Beecher Stowe is een van de bekendste boeken uit de canon van de Amerikaanse literatuur. Het is voor alles een tendensroman en een aanklacht tegen de destijds nog niet afgeschafte slavernij. Centraal staan de lotgevallen van een aantal slaven in en rondom een plantage ergens in de Amerikaanse staat Kentucky.
De roman werd in 1852 gepubliceerd, nadat hij eerst tussen 1851 en 1852 als feuilleton was verschenen.
Beecher Stowe haalde voor het verhaal onder meer inspiratie uit de lotgevallen van de prediker Reverend Josiah Henson en zijn werk voor de Underground Railroad. Ze schreef de roman in de eerste plaats uit onvrede over de Fugitive Slave Act van 1850, die het uitleveren van ontsnapte slaven aan hun eigenaren dwingender maakte. Ze gebruikte royalty's ervan om een petitie tegen de Kansas-Nebraska Act te helpen organiseren.
Uncle Tom's Cabin geldt als de eerste grote – en uiteindelijk ook goeddeels geslaagde – poging om het brede publiek in de Verenigde Staten en elders te wijzen op de immorele en mensonterende praktijken van de slavernij en slavenhandel in de Verenigde Staten. Het verhaal focust op de wrede kanten van de slavernij en hoe erg de meeste hoofdpersonen hieronder lijden, ook al wordt dit laatste door iedereen inclusief henzelf verdoezeld.
In het verhaal zelf wordt enerzijds erkend dat veel meesters hun slaven goed behandelen. Deze slaven lopen door hun ondergeschikte positie echter wel het risico dat ze (wegens geldgebrek of overlijden van de eigenaar) verkocht worden aan slechte meesters, waarbij ouders en kinderen bovendien van elkaar gescheiden worden.
De oorspronkelijke titel is Uncle Tom's Cabin or Life Among the Lowly, letterlijk Oom Toms hut of leven onder de nederigen. In het Nederlands werd het boek aanvankelijk uitgegeven als De negerhut en later als De negerhut van Oom Tom. Waarom de titel niet, net als in andere talen, letterlijk vertaald is, is onbekend. De titel De hut van Oom Tom komt in het Nederlands ten minste sinds 1853 voor, maar wordt pas sinds begin jaren 1980 algemeen gebruikt. De versie met het woord negerhut in de titel werd in 1982 voor het laatst gedrukt, tegenwoordig is De hut van Oom Tom gebruikelijk.


Er zijn twee hoofdverhaallijnen. Een ervan is het verhaal van de slaaf Oom Tom, die door een voor hemzelf ongunstige samenloop van omstandigheden uiteindelijk belandt op de katoenplantage van Simon Legree. Het andere verhaal is dat van het echtpaar George en Eliza Harris, twee ontsnapte slaven die samen met hun jonge zoontje Harry naar Canada weten te vluchten. Tevens worden ze aan het eind herenigd met een deel van hun familie.
Het verhaal begint met de moeilijke financiële situatie van de Shelby's. Arthur Shelby ziet zich gedwongen om zijn trouwste slaaf Tom (door iedereen "Oom Tom" genoemd) en Eliza's zoontje Harry te verkopen aan de enkel op rijkdom beluste slavenhandelaar Haley. Eliza slaagt erin om met Harry te vluchten, waarna ze bij de senator Bird belandt, die haar verder helpt. Op ongeveer hetzelfde moment vlucht ook Eliza's man, George Harris: hij is slaaf van een andere eigenaar die hem slecht behandelt, en is door diegene verhuurd aan een zeildoekfabriek waar hij zelf een machine heeft uitgevonden om hennep te zuiveren. George had het in de fabriek naar zijn zin, maar wordt nu door zijn meester teruggeroepen. Hij ontsnapt met hulp van mr. Wilson, de eigenaar van de fabriek waar hij werkte. Eliza ontsnapt samen met Harry over de bevroren Ohio. Zij en George vinden elkaar terug en besluiten om samen te proberen in Canada te komen. Ze worden achtervolgd door een groep slavenjagers die in opdracht van Haley achter hen aan zijn gestuurd, onder leiding van Tom Loker. Bij de achtervolging raakt Loker gewond door een val in een ravijn, waarna Eliza en George zich over hem ontfermen. Ze laten hem voor verzorging bij de Quakers achter.
Oom Tom wordt door Haley gekocht en weggehaald bij zijn vrouw Chloe en zijn drie kinderen. Hij vindt het weliswaar vreselijk, maar verzet zich op geen enkele manier. Hij wordt meegenomen in een boot over de Mississippi, in de richting van de gevreesde katoenplantages. Aan boord redt hij een jong meisje genaamd Evangeline (door iedereen Eva genoemd) van de verdrinkingsdood. Eva haalt uit dankbaarheid haar vader, de welgestelde en goede slavenhouder Augustine St. Clare, over om Tom te kopen. Bij de St. Clares in New Orleans wordt Tom zeer goed behandeld: hij krijgt een eigen kamer, mag zijn bijbel die hij uit Kentucky heeft weten mee te nemen houden, en hij mag een brief naar zijn familie schrijven. Marie St. Clare, Eva's moeder en de echtgenote van Augustine, denkt alleen maar aan zichzelf en zou de slaven het liefst compleet uitbuiten, maar zij heeft vanwege het gezag van haar man in huis weinig te zeggen. Tom ontwikkelt een zeer hechte band met Eva, die net als hijzelf zeer gelovig is. Eva heeft echter een erg zwak gestel en sterft op een gegeven moment door uitputting, waarna Tom zich meer dan voorheen gaat bekommeren om zijn nu zwaar depressieve meester, met wie hij eveneens een goede band heeft opgebouwd. Augustine is mede door de dood van zijn dochter tot nieuwe inzichten gekomen en belooft Tom en al zijn andere slaven nu snel vrij te zullen laten. Hij sterft echter korte tijd later, nadat hij in een café een zware dolksteek heeft gekregen. Tom en de andere slaven van de St. Clares zijn nu compleet overgeleverd aan de onverbiddelijke Marie, die besluit hen allemaal te verkopen. Hiermee is voor Tom alle hoop om snel weer bij zijn familie in Kentucky te zijn dus weer vervlogen. Voordat Tom wordt verkocht, wil Ophelia toch nog iets voor hem doen. Ze schrijft daarom een brief aan de Shelby's, waarin ze hen op de hoogte brengt van Toms situatie.
Na de veiling in het slavenmagazijn belanden Tom en het meisje Emmeline in Louisana bij de zeer wrede plantagehouder Simon Legree, die zijn slaven op de ergst denkbare manieren behandelt. Hoewel Tom een goede en gehoorzame kracht is, weigert hij om op bevel van Legree een andere slaaf af te ranselen, waarna Tom zelf wordt afgetuigd door Legrees knechten Sambo en Quimbo. Tom helpt soms ongemerkt andere slaven op Legrees plantage bij het extreem zware werk. Later verzwijgt Tom tegenover Legree hoe Cassy – een vrouw die eveneens door Tom werd geholpen bij het katoenplukken en die hem verzorgde toen Tom was afgetuigd – en Emmeline de plantage van Legree zijn ontvlucht. Legree laat Tom een hele nacht afranselen door Sambo en Quimbo in de hoop dat Tom de schuilplaats van de twee vrouwen zal verraden, maar Tom blijft zwijgen. George Shelby, de zoon van de inmiddels overleden plantagehouder, is inmiddels naar aanleiding van de brief van Ophelia afgereisd naar New Orleans om Tom te zoeken. Hij is nog net op tijd op de plantage van Legree om Tom levend aan te treffen. Tom sterft korte tijd later aan zijn verwondingen, terwijl George naast hem zit. Legree hoeft geen geld van George voor het lichaam van Tom, omdat hij zijn slaven enkel als "wegwerpproducten" ziet.
George begraaft Tom in een zandheuvel en keert hierna terug naar Kentucky, om het slechte nieuws aan Chloe en Toms kinderen te vertellen. Aangezien Arthur Shelby is overleden, is de plantage nu van George Shelby zelf. George besluit al zijn slaven vrij te laten; hij is zo verontwaardigd door wat hij op de plantage van Legree heeft gezien, dat hij zich nu volledig van de slavernij besluit af te keren.
Na hun geslaagde vlucht ontmoeten Cassy en Emmeline op de boot de zus van George Harris, Emily. Met z'n drieën reizen ze naar Canada, waar Cassy ontdekt dat Eliza haar eigen dochter is, van wie ze vroeger werd gescheiden toen beiden werden verkocht. Nu de familie is verenigd reizen ze door naar Frankrijk en vervolgens naar Liberia, waar ook de eveneens verkochte zoon van Cassy wordt teruggevonden.
De titel van het boek wordt aan het einde verklaard: George Shelby wijst naar de hut waar Oom Tom woonde voordat hij verkocht werd. Hij beschouwt het huisje als een monument voor de trouwe slaaf.

Het boek werd een internationale bestseller, een standaardwerk van de abolitionistische beweging. In de slavenhoudende staten in het Zuiden van de Verenigde Staten werd het daarentegen geboycot en gecensureerd. Stowe schreef zelf twee jaar later A Key to Uncle Tom's Cabin, waarin ze probeerde aan te tonen dat Uncle Tom's Cabin een feitelijk juiste weergave van de werkelijkheid was.:58
Ook in het Rusland van tsaar Nicolaas I, waar de lijfeigenschap ter discussie stond, lag het boek gevoelig. Het duurde tot 1857 vooraleer hier een vertaling kon uitkomen.
In de jaren '60 en '70 van de 20e eeuw kwam het boek echter opnieuw onder vuur te liggen, deze keer omdat het een stereotiep en racistisch beeld zou ophangen door de meeste zwarte personages voor te stellen als passieve wezens die zouden moeten worden (her)opgevoed. Tegen dit beeld werd ingebracht dat Oom Tom stoïcijns is maar niet onderdanig. Ook werd erop gewezen dat Stowe met George Harris een opstandig en provocerend personage had geschapen, dat zijn vrijheid veroverde en niet langer voor een Amerikaan wenste door te gaan. In het algemeen komen de zwarte personages minder aan bod en zijn ze psychologisch vlakker dan de witte personages. De subversieve kracht van het boek zat vooral in de revolutionaire onderwerpkeuze en in het vermogen om verontwaardiging op te wekken.
De benaming Uncle Tom heeft zich ontwikkeld tot een scheldwoord voor Afro-Amerikanen die (met name door het blanke deel van de bevolking) veel te veel over zich heen lieten lopen en zich braaf en gedienstig lieten vernederen in de hoop op lotsverbetering. Dit scheldwoord lag speciaal in de mond bestorven van de Black Muslims om burgerrechtenactivisten te hekelen die in hun ogen te gematigd waren, zoals Martin Luther King.
Het "Oom-Tom-syndroom" is een eigen psychologische term geworden.
Het werk beïnvloedde de heersende opvattingen over slavernij in verregaande mate. Het heeft (zij het niet helemaal rechtstreeks) een belangrijke rol gespeeld bij de afschaffing van de slavernij in de VS, en wordt door analytici vaak gezien als het boek met de meeste politieke invloed in de Verenigde Staten van de 19e eeuw. Tijdens de Amerikaanse burgeroorlog ontving president Lincoln naar verluidt de auteur in het Witte Huis met de woorden: So you're the little woman who wrote the book that started this great war ("Dit is dus de kleine dame die met haar boek deze grote oorlog heeft veroorzaakt").:100
In North Bethesda, een buitenwijk van Washington, staat het Riley-Bolten House. Een van de vroegere eigenaars was Isaac Riley, die de slaaf Josiah Henson bezat toen die daar woonde. Henson werkte op de plantage aan zijn autobiografie, The Life of Josiah Henson, Formerly a Slave, en die stond model voor Uncle Tom's Cabin. Om deze reden wordt het huis plaatselijk Uncle Tom's Cabin genoemd. In 2006 kocht het bestuur van Montgomery County het huis voor 1 miljoen dollar om het te behouden voor de toekomst. Er is echter twijfel of het bestaande huis wel echt hetzelfde is als het huis waar Henson leefde.
Het boek werd in 1852, het jaar van verschijning, in het Nederlands vertaald door C.M. Mensing (1812-1883), onder de titel De negerhut (Uncle Tom's Cabin). Een verhaal uit het slavenleven in Noord-Amerika. Vanaf november 1852 werd het boek eerst, zoals in die tijd vaker gebeurde, in afleveringen gepubliceerd. In 1853 kwamen er in Nederland verschillende drukken en uitgaven van de pers, waaronder een editie voor kinderen: Een kijkje in de hut van oom Tom door Tante Marie, voor hare neefjes en nichtjes; met eene toespraak van de schrijfster, H. Beecher-Stowe, aan de jeugd; uit het Engelsch door A.G. Bruinses.
In totaal zijn er meer dan veertig vertalingen en bewerkingen van het boek verschenen in het Nederlands, waaronder:

Het boek is talloze malen verfilmd, vaak met enige aanpassing van de verhaallijnen. Een selectie:
Ook werden er al bijna meteen na het uitkomen van het boek aan toneelbewerkingen voor theater opgevoerd.