
Een batterijlader is een apparaat om oplaadbare batterijen (accu's) op te laden.
Sommige apparaten, zoals mobiele telefoons en mp3-spelers hebben een ingebouwde batterijlader. De batterij kan dan tijdens het opladen in het apparaat blijven zitten. Om de batterij op te laden wordt het apparaat dan met een bijgeleverde speciale adapter op het stopcontact of op de USB-poort van een computer aangesloten. Op het schermpje van het apparaat is te zien hoe ver de batterij is opgeladen en wanneer hij helemaal vol is geladen.
Een batterijlader is enkel geschikt voor oplaadbare batterijen. Wanneer eenmalige batterijen in een batterijlader worden gedaan dan kunnen ze gaan lekken of ontploffen. Daarbij kunnen bijtende chemische stoffen vrijkomen.
Batterijladers zijn er in eenvoudige en uitgebreide uitvoeringen. Batterijladers voor thuisgebruik om NiCd- of NiMH-accu's op te laden kunnen grofweg ingedeeld worden als volgt:
Daarnaast hebben sommige nog aanvullende functies, zoals een ontlaadfunctie of controle van de temperatuur van de oplaadbare batterij. Deze laatste functie zorgt ervoor dat de batterijen nooit een te hoge temperatuur bereiken.
Een snellader laadt de batterij met een grotere stroomsterkte (mA), zodat de batterij in bijvoorbeeld 1 uur opgeladen wordt. De meeste snelladers voor NiMH-batterijen meten ook de temperatuur van de batterijen, omdat de batterijen beschadigd kunnen raken bij een te hoge temperatuur.
De meeste laders schakelen zichzelf niet helemaal uit aan het einde van het laadproces, maar blijven nog een klein beetje stroom geven zodat de batterij goed vol blijft. De meest gebruikte methode is druppelladen. Bij deze methode 'druppelt' de lader steeds een kleine stroom bij zodat de batterij altijd helemaal vol is als hij uit de lader wordt gehaald. Het is wenselijk een lader met druppellading te gebruiken voor gewone NiMH-batterijen, deze batterijen hebben namelijk te maken met zelfontlading, zie ook oplaadbare batterij

Veel opladers detecteren wanneer de batterij volledig opgeladen is. Er zijn verschillende manieren om te detecteren wanneer een batterij vol is.
Bij de minus-delta-V (kortweg: -ΔV) methode wordt een negatieve spanningsverandering gedetecteerd na het bereiken van de maximale klemspanning. De klemspanning van een accu, die met een constante stroom wordt opgeladen, wordt steeds hoger. Wanneer de accu vol is, bereikt deze spanning haar maximale waarde en neemt bij aanhoudende stroomtoevoer juist weer lichtjes af. Deze spanningsterugval (negatieve deltapiek) wordt door de laadelektronica herkend, en de oplader stopt.
De spanningsval kan variëren van ongeveer 0 mV tot 5 mV. Wanneer een batterij vaak gebruikt is, of juist nog niet gebruikt is, of met een te grote of te kleine laadstroom wordt opgeladen, kan het voorkomen dat er geen spanningsterugval optreedt. De lader zal dan niet stoppen en de oplaadbare batterijen worden dan te veel opgeladen.
Vrijwel alle NiMH-batterijen zijn zodanig geconstrueerd dat bij overladen de batterij niet meteen stuk gaat, maar de overtollige energie in warmte wordt omgezet. De temperatuur van de batterij loopt daarom opeens sneller op bij het overladen. Er bestaan daarom laders die ook de temperatuur van de batterijen in de gaten houden.
Bij de methode van piekspanningsdetectie (Peak Voltage Detection, kortweg: PVD) wordt de 'piek' van de batterijspanning gedetecteerd. Wanneer de spanning van de batterij niet meer toeneemt, is de 'piek' bereikt. Door fabrikanten van NiMH-batterijen wordt deze methode aanbevolen, gecombineerd met een temperatuurmeting van de batterijen.
Daarnaast zijn er nog andere manieren. Zo kan een lader steeds kortstondig een grote laadstroom geven, en in de tussenperioden de batterij testen hoe vol hij is. Een andere manier is dat de lader aan de hand van allerlei gegevens (spanning, temperatuur, tijd, interne weerstand van de batterij) beslist wanneer een batterij vol is.
Als de lader zelf de laadtijden aangeeft is het aan te bevelen deze te volgen. Wanneer de batterijcapaciteit afwijkt kan ook de volgende vuistregel gebruikt worden: