Orli Wald

Orli Wald
Orli Wald
Orli Wald
Geboren 1 juli 1914, Bérelles
Overleden 1 januari 1962, Ilten
Geboorteland Vlag van Frankrijk (1794–1815, 1830–1974, 2020-heden).svg Frankrijk
Ook bekend als De Engel van Auschwitz
De Heldin van Auschwitz
Jaren actief 1933-1945
Periode Tweede Wereldoorlog
Groep Communistisch verzet
Kampfgruppe Auschwitz
Portaal  Portaalicoon   Tweede Wereldoorlog

Orli Wald, tevens bekend als Orli Reichert-Wald en geboren als Aurelia Torgau, (Bérelles, 1 juli 1914 – Ilten, 1 januari 1962) was een Duitse communistisch verzetsstrijdster tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Net als haar vader en broers was Wald betrokken bij de Kommunistische Partei Deutschlands. Na de machtsovername van Adolf Hitler in 1933 sloot ze zich aan bij het communistisch verzet. Drie jaar later, in juni 1936, werden Wald en haar verzetsgroep verraden, mogelijk door de echtgenoot van Wald.

Na bijna drie jaar gevangenisstraf wegens voorbereiding tot hoogverraad werd ze in 1939 in Schutzhaft genomen en naar kamp Ravensbrück gedeporteerd. Vanuit daar ging ze in maart 1942 op transport naar Auschwitz. In 1943 werd ze kampoudste en kreeg de leiding over de ziekenbarak. Ze werd gedwongen mee te werken aan selecties, maar probeerde zo veel mogelijk mensen te redden. Haar hulp aan haar medegevangenen leverde Wald de bijnaam 'de Engel van Auschwitz' op.

Na de Tweede Wereldoorlog had ze door haar jarenlange gevangenschap last van psychische en lichamelijke problemen en deed ze meerdere zelfmoordpogingen. Wald overleed op 1 januari 1962 in een psychiatrisch ziekenhuis. Ze werd 47 jaar oud.

Jeugd en opleiding

Orli Wald werd geboren op 1 juli 1914 in Bérelles, een dorp in het noorden van Frankrijk nabij de Belgische grens. Ze was de dochter van Frédéric (August) Torgau en Marie Molitor en groeide op als jongste kind in een arbeidersgezin met zes kinderen.

Enkele maanden na haar geboorte brak de Eerste Wereldoorlog uit. Doordat haar vader Duits was, werd het gezin in de zomer van 1916 als vijandelijke onderdanen in een interneringskamp in Guérande geplaatst. Datzelfde jaar werden Wald, haar moeder, broers en zussen uitgewezen en vertrokken zij naar Luxemburg en vervolgens naar Trier. Haar vader bleef tot 19 oktober 1918, kort voor het einde van de oorlog, geïnterneerd.

Door de internering werd haar vader overtuigd socialist. In Trier was hij medeoprichter van de lokale afdeling van de Kommunistische Partei Deutschlands (KPD). Wald en enkele van haar broers en zussen werden lid van de gelieerde communistische jeugdvereniging Kommunistischer Jugendverband Deutschlands (KJVD).

Na het afronden van de lagere school volgde Wald een opleiding tot verkoopster in een winkel van de arbeiderscoöperatie. Omdat ze hierna geen werk kon vinden, deed ze partijwerk voor de KPD.

Leven onder het nationaalsocialisme

Na de machtsovername van Adolf Hitler in januari 1933 zette ze haar werk in het geheim voort. Ze raakte ze betrokken bij het verzet en verspreidde illegaal publicaties van de KPD. Wald smokkelde als koerierster antifascistische literatuur van Luxemburg naar nazi-Duitsland. Haar broers Willi en Fritz waren tevens betrokken bij de Communistische Partij en werden kort na de machtsovername gearresteerd. Wald werd in 1934 vanwege het verspreiden van anti-nazi propaganda door de Gestapo opgepakt, maar werd na vier dagen vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs.

Op 6 augustus 1935 trouwde ze met bouwvakker Friedrich-Wilhelm Reichert. Wald en haar echtgenoot waren aanvankelijk beiden lid van de communistische jeugdvereniging, maar kregen later op politiek vlak zeer uiteenlopende meningen: Reichert raakte zes maanden na hun huwelijk betrokken bij de Sturmabteilung, terwijl Wald overtuigd communiste bleef. Het echtpaar had regelmatig heftige ruzies en Wald verbrak de relatie in maart 1936 nadat hij had gedreigd haar en haar verzetsgroep te verraden.

In juni van dat jaar werd haar verzetsgroep gearresteerd. Wald bevond zich op dat moment in Luxemburg, maar keerde terug naar Trier en gaf zich vrijwillig aan, omdat de Gestapo haar ouders had bedreigd. Het verhoor door de Gestapo was zeer gewelddadig en Wald werd geslagen, onthouden van slaap en gedwongen urenlang te staan. Op 23 juni 1936 werd ze naar de gevangenis aan de Windstraße overgebracht.

In december 1936 werd Wald door de 5e Strafkamer van het Hogere Regionale Gerechtshof in Hamm veroordeeld tot vier jaar en zes maanden gevangenisstraf wegens voorbereiding tot hoogverraad. Haar broers Willi en Fritz werden bij ditzelfde proces veroordeeld, zij kregen beiden zeven jaar gevangenisstraf opgelegd. Mogelijk werd de verzetsgroep verraden door de echtgenoot van Wald. In 1939 scheidde het echtpaar officieel.

Gevangenschap

Ziegenhain & Ravensbrück

Wald zat haar gevangenisstraf uit in de gevangenis van Ziegenhain. Na bijna drie jaar in eenzame opsluiting werd ze in oktober 1939 in Schutzhaft genomen, omdat ze als een gevaar voor Duitsland werd beschouwd. Hierna werd ze als politieke gevangene in december 1940 naar vrouwenkamp Ravensbrück gedeporteerd. Wald werd in 1940 tijdens het proces tegen de Luxemburgse communistische partijleider Zenon Bernard opgeroepen als getuige. In ruil voor haar getuigenis werd haar immuniteit van vervolging beloofd. Ze weigerde en probeerde Bernard in plaats daarvan vrij te pleiten.

Wald bleef ongeveer vijftien maanden in Ravensbrück. In maart 1942 werd ze met ongeveer 1000 andere vrouwen naar concentratiekamp Auschwitz gedeporteerd. Ze arriveerde op 26 maart 1942 met het eerste transport vanuit Ravensbrück.

Auschwitz

Orli Wald in Asuchwitz (1942). Ze kreeg in Auschwitz gevangenennummer 502.

In het hoofdkamp van Auschwitz moest de groep een ziekenafdeling oprichten in het vrouwengedeelte van het kamp. Tegen augustus 1942 zaten daar ongeveer 17.000 vrouwen. Vanwege overbevolking werd ze in augustus 1942 naar Auschwitz-Birkenau overgebracht dat op dat moment nog in aanbouw was. In Birkenau was er een gebrek aan infrastructuur en in het kamp heersten allerlei epidemieën waardoor het sterftecijfer zeer hoog lag.

In het voorjaar van 1943 werd ze benoemd tot kampoudste (Lageraltester). Dit was hiërarchisch gezien de hoogste functie die een kampgevangene kon hebben. In deze hoedanigheid was ze verantwoordelijk voor het toezicht op kapo's en blokoudsten. Ze kreeg de leiding over de ziekenbarak (Revier) en werd verplicht om SS-arts Josef Mengele bij te staan bij selecties.

Het werk in de ziekenbarak viel haar erg zwaar. Wald was getuige van medische experimenten op kampgevangenen en van hoe baby's en kinderen werden omgebracht met dodelijke fenol-injecties. Wald liep tuberculose op en werd depressief. In de zomer van 1943 probeerde ze een einde te maken aan haar leven, maar overleefde de suïcidepoging.

Samen met een kamparts richtte ze in het geheim een afdeling op waar tuberculosepatiënten werden verzorgd. Daarnaast liet ze gevangenen ten onrechte opnemen op verdenking van tyfus. Op deze manier behoedde ze hen voor selecties en medische experimenten. Ook smokkelde ze voedsel en vervalste ze medische verslagen. Vanwege haar inzet kreeg ze de bijnaam 'de Engel van Auschwitz'. Een naoorlogse getuigenis stelde dat Wald 'ondanks haar hoge positie in het kamp, nooit uit het oog verloor dat het nationaalsocialisme de gemeenschappelijke vijand van alle gevangenen was, en dat ze hielp waar ze maar kon.'

Verzet in het kamp

In 1943 ontstond er in Auschwitz een verzetsgroep van Duitse vrouwen. Deze bestond uit leden van de KPD, SPD en andere antifascistische groepen. Naast Wald waren tevens Judith Dürmayer en Gerda Schneider bij de verzetsgroep betrokken. In Auschwitz bevonden zich meerdere verzetsgroepen, gescheiden per kampdeel en vaak georganiseerd per land, maar deze werden in de loop van 1943 verenigd in Kampfgruppe Auschwitz. Deze groep gaf ondersteuning en zorg aan medegevangenen, bood waar mogelijk materiële hulp, organiseerde ontsnappingspogingen, smokkelde informatie het kamp uit en probeerde zo veel mogelijk kinderen te verzorgen en redden. Eind 1943 raakte Wald besmet met tyfus, waarvan ze nooit meer volledig herstelde.

Malchow

Begin 1945 was Wald opnieuw besmet geraakt met tuberculose. Op 18 januari 1945 ging zij met negenduizend vrouwen op een dodenmars van vijftig kilometer naar Ravensbrück. De vrouwen die de mars overleefden, kwamen tien dagen later in het kamp aan. Vanaf hier werd Wald overgebracht naar Malchow, een buitenkamp van Ravensbrück. In Malchow was er ruimte voor ongeveer 1000 gevangenen, maar tegen april 1945 verbleven er ongeveer 5000 vrouwen in het kamp. Wald werd door enkele gevangenen herkend, wat volgens een getuige leidde tot een gelukkig weerzien. In Malchow werkte Wald in een munitie- en springstoffenfabriek.

Het aantal bewakers in het kamp nam tegen het einde van de oorlog af. Samen met enkele medegevangenen ontsnapte Wald in april 1945 's nachts uit het kamp. Ze verstopten zich in het bos en in verlaten schuren. In het bos werden ze ontdekt door militairen van het Rode Leger die op zoek waren naar vluchtende nazi's. Wald en haar medegevangenen werden door hen opgepakt en overgebracht naar Goldberg. Daar werd Wald door hen verkracht.

Naoorlogse jaren

Voormalig sanatorium van Sülzhayn

In mei 1945 arriveerde ze in Berlijn. Via het Antifascistische Bureau kreeg ze een kamer in Pankow. Ze raakte na de oorlog betrokken bij de Vereinigung der Verfolgten des Naziregimes. Wald had het er moeilijk mee dat veel voormalige nazi's belangrijke functies kregen in Duitsland. Ze bleef aanvankelijk aanhanger van het communisme en sloot zich aan bij de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (SED). In 1951 verwierp ze het communisme en werd ze lid van de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD).

Wald had de ambitie om in Berlijn als journaliste te werken. Voor de Berliner Zeitung schreef ze een stuk over politica Luise Kautsky van de Unabhängige Sozialdemokratische Partei Deutschlands die in 1944 in Auschwitz was omgekomen. Hoofdredacteur Rudolf Herrnstadt wilde Wald graag als redacteur aannemen, maar ze werd vanwege tuberculose en een depressie opgenomen in het sanatorium in Sülzhayn. De krant deed in 1947 een toezegging haar als correspondent in vaste dienst aan te nemen als zij was hersteld.

In dit sanatorium verbleven veel overlevenden van de nazi-vervolging. Ze ontmoette daar journalist, politicus en voormalig verzetsstrijder Eduard Wald die net als haar als politiek gevangene meerdere jaren in concentratiekampen had doorgebracht. Ze trouwden in november 1947. In het voorjaar van 1948 verliet het echtpaar Oost-Duitsland en verhuisden ze naar Hannover waar Eduard oorspronkelijk vandaan kwam.

Trauma's

Vanwege haar gezondheid was ze nog weinig politiek actief, maar schreef autobiografische artikelen, proza en gedichten over Auschwitz voor sociaaldemocratische kranten. Deze gingen met name over haar gevoelens van verontwaardiging, verdriet en hulpeloosheid. Haar echtgenoot had voorgesteld haar herinneringen op te schrijven, omdat het haar mogelijk zou helpen, maar dit maakte het erger: ze kreeg last van ernstige herbelevingen en depressies. Ze kon niet naar bepaalde soorten muziek luisteren, omdat het haar herinnerde aan het kamporkest in Auschwitz dat speelde als mensen naar de gaskamers werden gebracht. Volgens haar echtgenoot 'stonden de doden van Auschwitz 's nachts weer op'.

Op 10 april 1948 werd haar kort verhaal Das Taschentuch ('De Zakdoek') gepubliceerd in de krant Thüringer Volk. Hierin beschreef Wald hoe ze in Auschwitz zorgde voor het vijfjarige blinde meisje Christel. Wald werd op een dag verplicht Christel naar de SS-Unterscharführer te brengen, door wie het meisje door middel van een fenol-injectie in het hart werd vermoord. Communistisch verzetsstrijder en Auschwitzoverlevende Hermann Langbein stelde dat Wald na de oorlog de aanblik van kinderen meed, omdat ze 'te vaak had gezien hoe SS-artsen baby's en peuters met dodelijke injecties om het leven brachten'.

In deze periode raakte Wald verslaafd aan medicijnen en het lukte haar niet te werken. In 1948 diende ze een aanvraag in voor steun bedoeld voor vervolgden van het nationaalsocialistische bewind. Ze werd voor tachtig procent arbeidsongeschikt verklaard vanwege haar tijdens gevangenschap opgelopen aandoeningen. Haar arbeidsongeschiktheid was volgens het besluit blijvend en medische zorg was noodzakelijk. Ze kreeg een pensioen van 250 Duitse mark per maand. Daarnaast ontving zij een detentievergoeding van 16.000 Duitse mark voor haar gevangenschap in de gevangenis van Ziegenhain en de concentratiekampen Ravensbrück en Auschwitz. Vanwege haar slechte gezondheidstoestand kon Wald geen lid worden van een ziekenfonds en moest zij al haar medische kosten zelf betalen.

Psychiatrisch ziekenhuis Tiefenbrunn

In januari 1951 en rond de jaarwisseling 1952/1953 deed Wald opnieuw zelfmoordpogingen. Begin maart 1954 werd ze negen maanden opgenomen in de psychiatrische kliniek Tiefenbrunn bij Göttingen. De verklaring van haar arts luidde: "Depressieve toestand na bevrijding uit concentratiekamp Auschwitz. De patiënte weet haar weg niet meer in de wereld. Ze heeft geen vertrouwen meer in de mensheid, maar voelt zich zinloos."

Wald had het er moeilijk mee dat ze niet altijd personen in haar omgeving had met wie ze haar ervaringen kon delen. Daarnaast werd de Holocaust door sommigen publiekelijk ontkend of gebagatelliseerd, en was er weinig sprake van schulderkenning. In 1955 werd door een arts gesteld dat haar depressies en medicijnverslaving niets te maken hadden met haar ervaringen in de concentratiekampen, maar 'aangeboren' waren en veroorzaakt werden door haar problematische jeugd.

Getuigenissen

Eind 1958 werd Wald op aanraden Hermann Langbein gevraagd te getuigen in het proces tegen Wilhelm Boger. Twee jaar later, in 1960, werd ze opnieuw door hem gevraagd verklaringen af te leggen, ditmaal als voorbereiding voor het Auschwitzproces in Frankfurt am Main. Wald was fysiek te zwak om in persoon te getuigen, maar bestudeerde samen met Langbein de lijst met namen en gaf hem gedetailleerde informatie over elke persoon. Volgens Langbein was het geven van haar verklaring emotioneel erg moeilijk. Volgens hem 'wist ze te veel over wat er in het kamp gebeurde'. In juli 1960 werd Wald opnieuw opgenomen, ditmaal voor drie maanden. Door het vele medicijnmisbruik waren haar organen ernstig aangetast en was ze lichamelijk erg verzwakt.

In 1961 werd Wald bezocht door Holocaustoverlevende Margareta Glas-Larsson met wie Wald in Auschwitz had gezeten. Volgens Glas-Larsson zei Wald tegen haar dat ze Auschwitz niet kon vergeten en nog steeds de brandende schoorstenen en de kinderen die in het open vuur werden gegooid voor zich zag. Wald stelde dat ze 'tevergeefs had gestreden', niet meer kon doorvechten en zich afvroeg waar ze nog voor leefde.

In april 1961 startte het Eichmann-proces tegen Adolf Eichmann. Hij was tijdens de Tweede Wereldoorlog verantwoordelijk geweest voor de logistiek van de transporten van Joden naar concentratiekampen. Naar aanleiding van dit proces kwamen berichten over de Holocaust en Endlösung op de radio en in kranten.

Graf van Orli Wald. Ze werd begraven samen met haar echtgenoot Eduard.

Deze gebeurtenissen rakelden veel op bij Wald wat leidde tot een zenuwinzinking. Op 10 juli 1961 werd zij opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis van Ilten bij Hannover. Wald had last van storingen in het bewustzijn en dacht dat ze opnieuw in Auschwitz zat. Ze verweet zichzelf dat ze niet genoeg mensen had geholpen en werd hiervoor behandeld met een hoge dosis kalmeringsmiddelen. Daarnaast kreeg ze opnieuw last van tuberculose, waardoor ze in quarantaine geplaatst moest worden wat haar gemoedstoestand negatief beïnvloedde. In deze periode deed Wald een zelfmoordpoging, maar deze mislukte.

Overlijden

Op 23 december 1961 ging Wald met verlof uit het psychiatrisch ziekenhuis, maar werd op 25 december opnieuw opgenomen. Haar toestand was zeer ernstig en lichamelijk was ze erg verzwakt. Om haar te kalmeren kreeg ze een hoge dosis kalmeringsmiddelen toegediend wat haar op 1 januari 1962 fataal werd. Haar officiële doodsoorzaak luidde 'hart- en circulatiefalen'. Ze werd 47 jaar oud.

Haar arts schreef in een brief dat Wald 'eigenlijk te goed was voor deze wereld' en zich voor anderen had opgeofferd. Volgens hem werd de kracht voor deze zelfopoffering 'gevoed door het ideaal van een rechtvaardiger en zinvoller ordening van het samenleven van mensen'. Hij concludeerde dat dit ideaal 'steeds weer in een onoverbrugbare tegenstelling tot de werkelijkheid [kwam] te staan.'

Wald werd begraven op begraafplaats Engesohde in een gemeentelijk eregraf.

Orli-Wald-Allee in Hannover

Eerbetonen

Op 23 februari 2007 werd aan de Brentanostraße 20 in Trier een struikelsteen voor Wald geplaatst.

Doorheen Duitsland werden enkele straten naar haar vernoemd, waaronder de Orli-Torgau-Straße in Trier, en het Reicherthof en de Orli-Wald-Allee in Hannover. De laatstgenoemde straat loopt langs de begraafplaats waar Wald begraven ligt. Daarnaast is er sinds 2016 een scholengemeenschap in Uetze die haar naam draagt.

Zie de categorie Orli Wald van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.