Oudfries

Vroegere woongebied van Friezen

Met Oudfries wordt de oudst bekende fase in de Friese taal aangeduid. De periode van pakweg de 8ste tot de 16de eeuw wordt hiermee aangeduid. Na 1575 wordt het doorgaans aangeduid als (modern) Fries. Op enkele plaatsnamen in het oude woongebied van de Friezen in het westen en noorden van Nederland na, is tot het jaar 1100 niet veel van de taal overgeleverd. Overgeleverde geschriften uit ongeveer 1100 zijn o.a. de 17 Keuren. De eerste optekening van een verzameling algemeen-Friese Keuren dateert van de eerste helft van de 11e eeuw. Er zijn wel oudere, zogenaamde Anglofriese runen bekend, maar die zijn uiterst moeilijk te interpreteren.

Het Oudfries heeft vanuit het Oudgermaans een eigen ontwikkeling meegemaakt, vergelijkbaar met andere Oudgermaanse dialecten, zoals het Angelsaksisch, het Oudsaksisch, het Oudnederlands en het Oudhoogduits. Het eigenaardige aan het Fries is dat het zijn archaïsche vormen nog tot in de Nieuwe Tijd behouden heeft, terwijl de andere West-Germaanse talen in de late Middeleeuwen langzaam hun klinkers verloren. Het Fries heeft zijn Middelfase (vgl. Middelnederlands, Middelengels, Middelnederduits, Middelhoogduits) vrijwel overgeslagen en is bijna direct in de Nieuwfriese periode beland. Overigens zijn ons van de veranderingen van Oud- naar Nieuwfries geen schriftelijke bronnen overgeleverd; de verandering vond plaats in de eeuwen na de teloorgang van de Friese vrijheid en vóór het werk van Gysbert Japicx. De schrijftaal waarvan Japicx zich bediende wordt soms enigszins misleidend Middelfries genoemd.

Een verklaring voor de abrupte overgang van het archaïsche Oudfries naar het in alle opzichten moderne Nieuwfries zou de aard van de teksten kunnen zijn. Rechtsteksten hebben een formeel karakter en werden misschien in een plechtiger taalregister uitgesproken dan communicatie over alledaagse onderwerpen. Toen het Fries zijn taak als bestuurstaal kwijtraakte, verloor het ook dit hoge register; toen er later weer een schrijftaal ontstond, was die wél gebaseerd op de gewone omgangstaal. Vergelijkbare verklaringen zijn opgesteld voor het lange bestaan van het Primitief Iers alsook voor de abrupte overgang van Oudengels naar Middelengels.

Klankleer

Zie voor een vergelijking van de klankverschuivingen die zich in de Ingveoonse talen hebben voorgedaan het artikel Ingveoonse klankverschuivingen

Vormleer

Ook wat vormleer betreft vertoont het Oudfries nog archaïsche kenmerken, zoals een uitgebreid verbuigingssysteem (declinatie) van de zelfstandige naamwoorden en een uitgebreid vervoegingssysteem (conjugatie) van de werkwoorden. Zo luidt de declinatie van bijvoorbeeld “dag” als volgt:

Naamval Enkelvoud Meervoud
1 Nominatief dei, dī degar
2 Genitief deis, dīs dega
3 Datief dei, dī degum/degem
4 Accusatief dei, dī degar

Overgeleverde teksten

De in het Oudfries bewaard gebleven bronnen zijn met name rechtsteksten. Zij zijn voornamelijk overgeleverd in zestien codices en één gedrukt boek:

Tussen Lauwers en Wezer:

Westerlauwers Friesland:

Tekstvoorbeelden

Uit het Fivelgoer Recht, in het Oudfries, Fries en Nederlands:

1. Hueth is riucht? List ende kenst riuchtis ande godis. 'Riuchtes', thet queth rethelika thinga ande riuchtelika thinga, alsa bithiut hit thi paws.
Wat is rjocht? Wittenskip en kennis fan it rjocht en it goede. 'Fan it rjocht', dat betsjut reedlike dingen en rjochterlike dingen, sa tsjut de de paus it
Wat is recht? Wetenschap en kennis van het recht en het goede. 'Van het recht', dat betekent verstandige dingen en rechtvaardige dingen, alzo duidt de paus het.
2. Hwet queth thet wird 'godis'? Nethelikera thinga and erlikera thinga, sprecht thi kaiser.
Wat betsjut it wurd 'fan it goede'? Nuttige dingen en earlike dingen, sprekt de keizer.
Wat betekent het woord 'van het goede'? Nuttige dingen en eerlijke dingen, spreekt de keizer.
3. Hv monich riucht ister? Twa, en godelic ende en manslic; thet erste is thi onbern, thet other scoltu lernia; thet en hath naturalis, thet other ciuilis.
Hoemannich rjochten binne der? Twa, in godlik en in minsklik; dat earste is dy oanberne, dat oare silsto leare moatte; dat iene hjit naturalis, dat oare civilis.
Hoeveel rechten zijn er? Twee, een goddelijk en een menselijk recht; het eerste is je aangeboren, het tweede moet je leren; het ene heet naturalis, het andere civilis.

Zie ook

Literatuur