| Johann Pachelbel | ||||
|---|---|---|---|---|
Graftombe van Pachelbel op het Rochusfriedhof te Neurenberg | ||||
| Persoonsgegevens | ||||
| Geboren | Neurenberg, ca. augustus 1653 | |||
| Gedoopt | 1 september 1653 | |||
| Overleden | Neurenberg, 3 maart 1706 | |||
| Land | Heilige Roomse Rijk | |||
| Handtekening | ||||
| Opleiding en beroep | ||||
| Opleiding gevolgd aan | Universiteit van Altdorf | |||
| Leermeester(s) | Heinrich Schwemmer, Georg Caspar Wecker | |||
| Beroep(en) | Organist, muziekpedagoog | |||
| Oriënterende gegevens | ||||
| Jaren actief | 1671-1706 | |||
| Instrument | Orgel, klavecimbel | |||
| Stijl(en) | Barok | |||
| Belangrijkste werken | Canon in D, Hexachordum Apollinis, koraalvoorspelen, Magnificat-fuga's | |||
| Leerlingen | Johann Christoph Bach III, Johann Heinrich Buttstett | |||
| Links | ||||
| (en) IMDb-profiel | ||||
| (en) Allmusic-profiel | ||||
| (en) Discogs-profiel | ||||
| (en) MusicBrainz-profiel | ||||
| ||||

Johann Pachelbel (Neurenberg, gedoopt 1 september 1653 – aldaar, 3 maart 1706) was een Duits componist, organist en muziekpedagoog uit de barokperiode. Hij behoort tot de belangrijkste vertegenwoordigers van de Zuid-Duitse orgelschool en was een van de bekendste orgelcomponisten van de generatie vóór Johann Sebastian Bach.
Pachelbel componeerde zowel geestelijke als wereldlijke muziek. Zijn oeuvre omvat orgelwerken, klavecimbelmuziek, kamermuziek, vocale kerkmuziek, koraalvoorspelen, fuga's, variatiereeksen en motetten. Tegenwoordig is hij vooral bekend door zijn Canon in D, maar tijdens zijn leven stond hij vooral bekend als organist, kerkmusicus en componist van protestantse orgelmuziek.
Johann Pachelbel werd geboren in Neurenberg, toen een vrije rijksstad binnen het Heilige Roomse Rijk. Zijn exacte geboortedatum is niet bekend; hij werd op 1 september 1653 gedoopt. Hij was een zoon van Johann Pachelbel, een wijnhandelaar, en kreeg zijn eerste muzikale opleiding in zijn geboortestad.
Zijn vroege leermeesters waren Heinrich Schwemmer, die hem de grondbeginselen van de muziek bijbracht, en Georg Caspar Wecker, organist van de Egidienkirche in Neurenberg. Later studeerde Pachelbel aan de universiteit van Altdorf, maar moest die studie wegens financiële moeilijkheden afbreken. Hij vervolgde zijn opleiding in Regensburg, waar hij les kreeg van Kaspar Prentz, een musicus die goed bekend was met de Italiaanse stijl.
In 1671 trok Pachelbel naar Wenen, een belangrijk centrum van keizerlijke en katholieke kerkmuziek. Daar werkte hij als plaatsvervangend organist aan de Stephansdom en kwam hij in aanraking met Zuid-Duitse en Italiaanse muzikale invloeden.
In 1677 werd Pachelbel hoforganist in Eisenach. Daar kwam hij in contact met leden van de familie Bach, die in Thüringen een belangrijke muzikale familie vormde. Deze band met de Bach-familie zou later van betekenis zijn voor zijn invloed op de jonge Johann Sebastian Bach.
In 1678 werd Pachelbel organist van de Predigerkirche in Erfurt. Dit was een van de belangrijkste periodes uit zijn loopbaan. Hij bleef er meer dan tien jaar werkzaam en ontwikkelde er zijn stijl als componist van orgel- en kerkmuziek.
In Erfurt had Pachelbel nauwe contacten met de Bach-familie. Hij gaf onder meer les aan Johann Christoph Bach III, de oudere broer en latere leraar van Johann Sebastian Bach. Via deze lijn had Pachelbel indirect invloed op de muzikale vorming van Johann Sebastian Bach.
Tijdens zijn Erfurtse jaren componeerde Pachelbel veel kerkmuziek en orgelwerken. Zijn stijl kenmerkte zich door helder contrapunt, goed zingbare melodische lijnen en een sterke band met de Lutherse koraaltraditie.
In 1690 werd Pachelbel hoforganist in Stuttgart aan het hof van Magdalena Sibylla van Württemberg. Door de dreiging van Franse troepen tijdens de Negenjarige Oorlog verliet hij Stuttgart na korte tijd.
Daarna werkte hij als organist in Gotha. In 1695 keerde hij terug naar zijn geboortestad Neurenberg, waar hij organist werd van de Sint-Sebalduskerk. Deze functie gold als een van de belangrijkste kerkelijke muziekposten van de stad. Pachelbel bleef er tot zijn dood in 1706 werkzaam.
Pachelbel was een vertegenwoordiger van de Zuid-Duitse orgeltraditie. Zijn muziek combineert Duitse contrapuntische technieken met invloeden uit de Italiaanse en katholieke kerkmuziek die hij in Wenen had leren kennen.
Zijn orgelwerken zijn vaak helder opgebouwd en minder virtuoos of grillig dan de Noord-Duitse orgelwerken van componisten als Dieterich Buxtehude. Pachelbel legde veel nadruk op overzichtelijke vorm, duidelijke melodie en harmonische balans. Daardoor kregen zijn koraalbewerkingen en fuga's grote betekenis voor latere componisten.
Een belangrijk deel van zijn orgelwerk bestaat uit koraalvoorspelen. Daarin wordt een luthers kerklied melodisch uitgewerkt, vaak met de koraalmelodie duidelijk herkenbaar in één stem. Pachelbel droeg zo bij aan de ontwikkeling van het protestantse koraalvoorspel als zelfstandig orgelgenre.
Pachelbel schreef een groot aantal werken voor orgel en andere toetsinstrumenten. Tot zijn belangrijkste genres behoren:
Zijn Magnificat-fuga's waren bedoeld voor gebruik in de liturgie. Ook zijn koraalvoorspelen waren verbonden met de praktijk van de Lutherse eredienst.
Een van zijn belangrijkste gedrukte werken is Hexachordum Apollinis uit 1699, een verzameling van zes aria's met variaties voor toetsinstrument. Het werk toont Pachelbels vaardigheid in de variatievorm en was opgedragen aan Dieterich Buxtehude en Ferdinand Tobias Richter.
Naast instrumentale muziek schreef Pachelbel ook geestelijke vocale werken. Zijn vocale oeuvre omvat motetten, aria's, cantates en andere kerkmuziek. Deze werken waren meestal bedoeld voor gebruik in de protestantse eredienst.
Hoewel zijn vocale muziek minder bekend is dan zijn orgelwerken, vormt ze een belangrijk deel van zijn oeuvre. Ze laat zien dat Pachelbel niet alleen een orgelcomponist was, maar ook een veelzijdig kerkmusicus.
Pachelbels bekendste werk is de Canon en Gigue in D majeur voor drie violen en basso continuo. Het werk is vooral bekend geworden onder de verkorte naam Canon in D.
De exacte ontstaansdatum en omstandigheden van het werk zijn niet met zekerheid bekend. Vaak wordt het stuk in de jaren 1680 of 1690 geplaatst, maar daarover bestaat geen volledige zekerheid. Volgens Encyclopaedia Britannica werd het werk pas in de twintigste eeuw gepubliceerd, hoewel het waarschijnlijk veel ouder is.
De Canon in D is opgebouwd als een canon boven een herhalende baslijn. In de twintigste eeuw werd het werk buitengewoon populair, vooral door opnames en bewerkingen. Daardoor is het tegenwoordig een van de bekendste stukken uit de barokmuziek, hoewel het slechts één klein onderdeel vormt van Pachelbels totale oeuvre.
Pachelbel was tijdens zijn leven een gerespecteerd organist en leraar. Zijn invloed was vooral merkbaar in Midden- en Zuid-Duitsland. Via zijn leerlingen en via zijn contacten met de Bach-familie werkte zijn stijl door in de Duitse orgeltraditie.
Zijn leerling Johann Christoph Bach III werd later de leraar van zijn jongere broer Johann Sebastian Bach. Daardoor vormde Pachelbel een indirecte schakel in de muzikale ontwikkeling van Bach.
Pachelbels invloed ligt vooral in zijn behandeling van het koraal, zijn heldere fuga's en zijn ontwikkeling van variatievormen voor toetsinstrumenten. Hij hielp de Zuid-Duitse orgelschool tot een hoogtepunt brengen en wordt beschouwd als een van de belangrijke componisten van de middenbarok.
Pachelbel trouwde in 1681 met Barbara Gabler. Zij overleed in 1683 tijdens een pestepidemie, samen met hun jonge zoon. In 1684 hertrouwde Pachelbel met Judith Drommer. Uit dit huwelijk werden meerdere kinderen geboren.
Twee van zijn zonen werden zelf musicus. Wilhelm Hieronymus Pachelbel werd organist in Neurenberg. Carl Theodorus Pachelbel emigreerde later naar Noord-Amerika en wordt beschouwd als een van de eerste Europese componisten die in de Amerikaanse koloniën actief waren.
Pachelbel overleed op 3 maart 1706 in Neurenberg. Hij werd begraven op het Rochusfriedhof.
Tot Pachelbels bekendste en belangrijkste werken behoren:
Hoewel Pachelbel tegenwoordig vooral bekend is door de Canon in D, was zijn historische betekenis veel breder. Hij was een invloedrijk componist van orgel- en kerkmuziek, een belangrijk vertegenwoordiger van de Zuid-Duitse barokstijl en een gewaardeerd leraar.
Zijn muziek vormt een brug tussen de zeventiende-eeuwse orgeltraditie en de latere hoogbarok. Door zijn koraalvoorspelen, fuga's en variatiewerken droeg hij bij aan de ontwikkeling van de Duitse orgelmuziek die later bij Johann Sebastian Bach haar hoogtepunt zou bereiken.