| Paul Kont | ||||
|---|---|---|---|---|
| Persoonsgegevens | ||||
| Volledige naam | Paul Kont | |||
| Geboren | 19 augustus 1920 | |||
| Overleden | 26 december 2000 | |||
| Land | ||||
| Opleiding en beroep | ||||
| Beroep(en) | muziekpedagoog, dirigent | |||
| Oriënterende gegevens | ||||
| Instrument | piano, viool | |||
| Belangrijkste werken | meerdere symfonieën, Traumleben, Peter und Susanne, Vom Manne und vom Weibe, Cronica Hungarica | |||
| Leerlingen | Peter Skorpik, Erke Duit, Walter Baco | |||
| Erkenning en lidmaatschap | ||||
| Prijzen en erkenningen | City of Vienna Prize for Music (1975) | |||
| Links | ||||
| (en) IMDb-profiel | ||||
| (en) Discogs-profiel | ||||
| ||||
Paul Kont (Wenen 19 augustus 1920 – aldaar, 26 december 2000) was een Oostenrijkse componist, muziekpedagoog en dirigent. Hij wordt beschouwd als uitvinder van de zogenaamde "derde tonaliteit".
Kont studeerde in 1939 en 1940 aan het Konservatorium Wien GmbH - Privatuniversität bij Vittorio Borri (viool) en bij Hans Nast (piano). Gedurende de Tweede Wereldoorlog deed hij dienst in het leger en was ingezet in Polen, Rusland en het voormalige Joegoslavië. Van 1945 tot 1949 studeerde hij aan de Akademie für Musik und darstellende Kunst in Wenen bij Josef Krips, Hans Swarowsky (orkestdirectie) en Josef Lechthaler (compositie). Verder studeerde hij privé bij Josef Polnauer (muziekanalyse). Verdere studies maakte hij tijdens de Darmstädter Ferienkurse in 1951 bij onder andere Wolfgang Fortner. Daarnaast studeerde hij in 1951 en 1952 in Parijs compositie bij Darius Milhaud, Olivier Messiaen en Arthur Honegger.
Van 1969 tot 1980 was hij docent voor compositie en audiovisuele media aan de Hochschule für Musik und darstellende Kunst Wien. In 1980 werd hij tot professor benoemd.
Hij werkte als freelance componist en dirigent in Wenen en schreef werken voor vele genres. Kont ontving verschillende prijzen en onderscheidingen, zoals de Förderungspreis der Stadt Wien (1951), de 1e prijs van de Wiener Volksoper (1958), de prijs van de Wiener Kunstfonds (1960 en 1967), de Oostenrijkse staatsprijs voor muziek (1964), de UNDA-prijs van de Internationale rooms-katholieke vereniging voor radio en televisie in Monte Carlo (1967), de muziekprijs van de stad Wenen (1975), de Würdigungspreis des Österreichischen Bundesministeriums für Unterricht und Kunst (1976), de gouden eremedaille van de stad Wenen (1986) en het Österreichisches Ehrenzeichen für Wissenschaft und Kunst 1e klas (1987). Hij is in een eregraf op de centrale begraafplaats Zentralfriedhof in Wenen begraven.
Bijna geen andere componist van de recente Oostenrijkse muziekscene is met zulke contrasterende opvattingen begenadigd als Paul Kont. Na de Tweede Wereldoorlog oriënteerde Kont zich - in tegenstelling tot vele van zijn tijdgenoten - niet aan Paul Hindemith, of in geringere mate aan Anton Webern en Igor Stravinsky, maar ontwikkelde een van de piano-improvisatie afgeleide stijl, de zogenaamde fase van de "vastgehouden (of gevangene) improvisatie". Gedurende zijn latere jaren van studie volgde in 1947 de ontwikkeling van de "complexe techniek", waarin de individuele stemmen onafhankelijke beweging ervaren en alleen in metrisch en tonaal gevestigde complexen samen komen. Doordat hij ook de dodecafonie bestudeerde, kwam hij vanaf 1951 terecht in een contra-positie van de seriële muziek en werkte met "statistieke waarden". Hierbij is het essentieel dat door de verdeling van tonen en parameters een harmonisch zinvol resultaat wordt bereikt, waarbinnen vrije ontwikkelingen mogelijk moeten zijn. De belangrijkste hervorming is uiteindelijk de in 1963 gedane ontwikkeling van de derde tonaliteit (of "ruime/breedte" of "Nieuwe tonaliteit").
Paul Kont zelf becommentarieerde het als volgt:
In Konts "derde tonaliteit" worden geen harmonische functie stappen gezet, maar de individuele stemmen diatonisch in reine intervallen gedeeltelijk wijdverbreid uit elkaar gevoerd, en het zo in de veelstemmigheid tot vaak irreële samenklanken voert. De in zijn boek Antiorganikum beschreven theorie is in de muzikale omzetting het meest terug te vinden in zijn oratorium Vom Manne und vom Weibe. De latere werken van Kont kan men als synthese van de verschillende hervormingsstappen beschouwen.
| Voltooid in | titel | aktes | première | libretto |
|---|---|---|---|---|
| 1950 | Indische Legende | 1951 Oostenrijkse omroep ORF, toneelversie: 1954, Wenen |
Jörg Mauthe | |
| 1953-1966 | Inzwischen | 5 januari 1967, Wenen | van de componist, naar W.H. Auden "For the Time Being. A Christmas Oratorio" | |
| 1957-1960 | Lysistrate | 3 bedrijven | 1961, Dresden | van de componist, naar de komedie van Aristophanes Duitse vertaling: Ludwig Seegers |
| 1958 | Traumleben | 2 bedrijven | 22 december 1963, Salzburg | Jörg Mauthe, naar Franz Grillparzer "Der Traum ein Leben" |
| 1959 | Peter und Susanne oder Die österreichische Schwermut |
26 juni 1959, Wenen | Gerhard Fritsch en de componist | |
| 1975-1976 | Plutos | 7 februari 1977, Klagenfurt | van de componist, naar de komedie van Aristophanes | |
| 1988 | Walpurgisnacht - Oper für Schauspieler | Ernst A Ekker, naar de gelijknamige roman van Gustav Meyrink |
| Voltooid in | titel | aktes | première | libretto | choreografie |
|---|---|---|---|---|---|
| 1967 | Italia Passata | ||||
| 1978 | Komödie der Unart | ||||
| 1980-1982 | Il Ballo del Mondo
|
||||
| 1984 | Arkadien | ||||
| 1984 | K |
30 liederen voor alt en piano 30 liederen voor tenor en piano 10 liederen voor mezzosopraan en piano 12 liederen voor bariton en piano 8 liederen voor sopraan en piano 6 liederen voor bas en piano