| Vingermos | ||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Physcia millegrana met apotheciën | ||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||
| ||||||||||
| Geslacht | ||||||||||
| Physcia (Schreb.) Michx. (1803) Basioniem Lichen sect. Physcia Schreb. (1791) | ||||||||||
| Apothecium van het korstmos geslacht Physcia. A = hymenium met asci, B = merg (mycelium), C = algenlaag. Schaal = 0,2 mm. | ||||||||||
| ||||||||||
Vingermos (Physcia) is een geslacht van korstmossen uit de familie Physciaceae. Het geslacht telt 73 soorten. Vingermossen komen voor op steen, de bast van bomen en struiken en op dood hout.
Het 2–8 cm grote thallus is bladvormig, gelobd, onregelmatig gevormd, rozetvormig of uit een geheel bestaand. Soms vloeien de kolonies samen. De bovenkant is groenachtig grijs of lichtgrijs tot donkergrijs, gewoonlijk bedekt met een witte laag (pruina).
Het vruchtlichaam van de schimmel is een bruin tot zwart, hol tot vlak of iets bol apothecium. Het epihymenium, de laag boven het hymenium, is lichtbruin. Het hymenium en hypothecium zijn kleurloos. De parafysen zijn onvertakt of aan de toppen spaarzaam vertakt. De lichtbruine top van de parafyse hebben een dunne donkerbruine kap. De goed ontwikkelde medulla (merg) is wit of deels geel.
De sporenzakjes zijn cilindrisch tot knotsvormig en hebben acht ascosporen. De grijsbruine tot bruine of donkerbruine, spoelvormige, dikwandige ascosporen hebben een tussenwand.