
Pierre-Jean Garat (Bordeaux, 26 april 1762 - Parijs,1 maart 1823) was een Franse zanger. Hij staat bekend als tenor-bariton, maar zijn stem had een bereik van drie octaven waardoor hij ook werk geschreven voor bas en zelfs contratenor kon zingen. Hij werd, ook internationaal, gezien als een van de grootste zangers van zijn tijd. Hij trad uitsluitend op als concertzanger, nooit in opera's. Het werk van Christoph Willibald Gluck had een belangrijke plaats in zijn repertoire. Vanaf 1802 trad hij alleen nog maar op tijdens privé-concerten en niet meer in het openbaar voor betalend publiek.
Garat speelde een prominente rol in het culturele leven van Parijs tijdens Directoire, Consulaat en Eerste Keizerrijk. Hij beëindigde zijn zangcarrière in 1817. Hij werd in 1796 de eerste zangdocent van het Conservatoire de Paris na de oprichting.
Pierre-Jean Garat was een zoon van de advocaat Dominique Garat en Francoise Gouteyron. De familie van zijn vader kwam uit de regio Labourd in Baskenland. Zijn moeder was een begaafde muzikante en zangeres, zij zag dat haar zoon talent had en leerde hem zingen. Tijdens een verblijf bij zijn familie in Baskenland kreeg hij een paar maanden vocaliseles van een Italiaanse musicus genaamd Lamberti. Hij leerde daar ook liederen uit het Baskische berggebied, die hij later regelmatig ten gehore zou brengen. Terug in Bordeaux kreeg hij les van Franz Beck, een Duitse componist en dirigent van het plaatselijke theaterorkest. In deze periode begon hij ook op te treden bij concerten die Beck organiseerde.
Zijn vader stuurde hem in 1782 naar Parijs om rechten te studeren. In plaats daarvan dook hij in het kunstenaarsleven en studeerde muziek. Hij oefende door zangers net zo lang na te doen totdat hij stukken evengoed kon uitvoeren als zij.
Garat werd snel bekend in Parijs, zowel door zijn grote talent als zijn charmante persoonlijkheid. Zijn stem werd omschreven als zacht en lieflijk. Hij was tenor/bariton, maar zijn stem had een bereik van drie octaven, waardoor hij ook aria’s voor bas en zelfs contratenor kon zingen. De Italiaanse componist Antonio Sacchini liet Garat tijdens het componeren van zijn werk Œdipe à Colone elke aria voorzingen. Hij onderwees hem ook in de regels van de zangkunst en de muziektheorie. Al in 1783 werd Garat uitgenodigd om voor koningin Marie-Antoinette te komen zingen; hij werd daarbij op klavecimbel begeleid door Antonio Salieri.
Omdat hij zijn rechtenstudie verwaarloosde, zette zijn vader zijn toelage stop. Garat werd privésecretaris van de graaf van Artois (de latere koning Karel X). In 1786 kwam het tot een verzoening met zijn vader, die Garat tijdens een benefietconcert in Bordeaux hoorde zingen en zag hoe het talent van zijn zoon werd bewonderd. Rond 1790 kreeg Garat een jaarsalaris van 6000 livre als 'administrateur van de koninklijke loterij', een sinecure functie waarvoor hij geen werk hoefde te doen.
Tijdens de Franse Revolutie viel Garads loopbaan stil. Zoals veel artiesten die aan het hof en bij de aristocratie geliefd waren geweest, raakte hij uit de gratie. Zijn koninklijke salaris kwam te vervallen. Hij verliet Parijs en trok naar Rouen. Daar werd hij in november 1793, tijdens de Terreur, gevangengezet: hij had geweigerd revolutionaire liederen te zingen en een zelfgeschreven royalistisch lied uitgevoerd. Na zijn vrijlating in augustus 1794 maakte hij met de violist en componist Pierre Rode een concertreis naar het buitenland. Ze bezochten Hamburg, de Bataafse Republiek en Groot-Brittannië. Om er niet van verdacht te worden dat ze emigré's waren (gevluchte anti-revolutionairen), kwamen ze in 1795 terug naar Frankrijk.
Onder het Directoire (1795-1799) herleefde Garats eerdere roem. Hij werd een prominente figuur in het culturele leven van Parijs. Hij trad op in de salon van Thérésia Cabarrus (Madame Tallien), en bij feesten georganiseerd door prominente persoonlijkheden als de financier Gabriel-Julien Ouvrard en de politicus Paul Barras. In 1795 gaf hij een reeks concerten in het Théâtre Feydeau.
Garat zong nooit in opera's, hij trad altijd op als concertzanger. Het werk van Christoph Willibald Gluck stond centraal in zijn repertoire en hij bracht het tijdens buitenlandse tournees in heel Europa onder de aandacht. Door het grote bereik van zijn stem kon Garat tijdens een optreden in zijn eentje bijna alle grote aria's uit een opera zingen. Hij werd bewonderd om zijn expressie en stijlbeheersing. Hij schreef zelf enkele populaire romances.
In 1796 werd hij de eerste zangdocent aan het pas opgerichte Conservatoire de Paris. Bekende operazangers als Caroline Branchu, Louis Nourrit, Louis Antoine Ponchard en Nicolas-Prosper Levasseur hebben van Garat les gehad.
Op verzoek van zijn oom Dominique-Joseph Garat, een invloedrijk politicus tijdens het Consulaat (1799-1804), stopte hij met concerten voor betalend publiek. Zijn oom vond zulke optredens schadelijk voor de familienaam; hij regelde een staatstoelage voor Garat om het verlies in inkomsten te compenseren. Wel bleef Garat privé-concerten geven in salons. De enige uitzondering in Frankrijk was een optreden op 24 december 1800 in het operagebouw aan de Rue de Richelieu, waar hij voor een gage van 3600 livre de tenorpartij zong in Joseph Haydns Die Schöpfung. Napoleon Bonaparte, op dat moment eerste consul, was aanwezig bij deze voorstelling. Garat zou de jaren daarna privé-optredens verzorgen voor Napoleons vrouw Joséphine de Beauharnais, zijn broer Lucien Bonaparte en de minister van buitenlandse zaken Talleyrand. Na het uitroepen van het Franse Keizerrijk trad hij ook regelmatig op aan het keizerlijk hof in het Tuilerieënpaleis.
Garat trad ook op in het buitenland. In 1802 ontving hij een uitnodiging van de tsaar Alexander I om naar Sint-Petersburg te komen. Daar was zijn allerlaatste openbare optreden als zanger.
De verstandhouding met Napoleon bekoelde toen Garat liederen zong die konden worden geïnterpreteerd als kritiek op de keizer. Napoleon trok in 1812 Garats benoeming aan het Conservatorium in; deze bleef echter zijn studenten gratis lesgeven.

Vanaf 1800 had Garat een relatie met de salonnière Adèle de Bellegarde. Ze kregen twee buitenechtelijke kinderen. Hun zoon (geboren in 1801) werd om de schijn te bewaren geadopteerd door zijn tante Aurore de Bellegarde, maar groeide op bij zijn moeder. Op de geboorteakte van hun dochter (1802) stonden Bellegarde en Garat vermeld als de natuurlijke ouders. De relatie eindigde kort na haar geboorte; zij is door Garat opgevoed. Vermoed wordt dat Garat later getrouwd is met een van zijn studentes, de alt en componist Marie Catherine Césarine Duchamps. Dit is echter niet zeker.
Garat stond bekend om zijn opvallende kleding en presentatie. Hij bleef zich aanvankelijk ook na de Revolutie kleden volgens de dress-code van het ancien régime, wat hem op veel kritiek kwam te staan. Vervolgens ontwikkelde hij een eigen flamboyante stijl die hem de lieveling maakte van de Incroyables en Merveileuses, jonge mannen en vrouwen die tijdens het Directoire met hedonisme en extravagantie reageerden op de strenge en sobere Revolutiejaren. Hij droeg tot einde van zijn leven het liefst opvallende kleding: een jaar voor zijn dood flaneerde hij door Parijs in een ongebruikelijke combinatie van een groen jasje onder een bruine overjas, met een rode broek en hoge gele leren laarzen.
Ook na het herstel van de Bourbon monarchie in 1814 bleef Garat een gewaardeerd artiest, al trad hij steeds minder op. Hij werd weer benoemd aan het conservatorium, en op verzoek van het koninklijk hof hield hij zich bezig met het zoeken en begeleiden van getalenteerde jonge zangers. Toen hij in 1817 zijn stem verloor en niet meer kon zingen, ging hij mentaal en lichamelijk achteruit. Hij stierf op zestigjarige leeftijd in Parijs en is begraven op Père Lachaise.