Omstreeks 800 werd in Paderborn een bisdom gesticht. Het bisdom behoorde aanvankelijk tot de kerkprovincie Mainz.
Het lukt bisschop Meinwerk (1009-1036) vrijwel alle grafelijke rechten binnen het bisdom te verwerven. Verdere expansie wordt onmogelijk gemaakt door de hertogen van Brunswijk en de keurvorsten van Keulen. In de veertiende eeuw worden delen van de graafschappen Everstein en Schwalenberg verworven en verder de heerlijkheid Büren.
Bisschop Erik van Brunswijk-Grubenhagen (1508-1532) voert de Reformatie in, maar tijdens de Contrareformatie van 1601 tot 1604 wordt de katholieke leer hersteld. Het prinsbisdom verloor in deze tijd het graafschap Ravensberg en alle gebieden op de rechteroever van de Wezer.
In de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 wordt het prinsbisdom in artikel 3 aan de koning van Pruisen toegekend. Deze noemt zich vervolgens vorst van Paderborn. Na de Pruisische nederlagen van 1806 en 1807 moet Pruisen in de Vrede van Tilsit alle bezittingen ten westen van de Elbe afstaan. Paderborn gaat dan in 1807 deel uitmaken van het koninkrijk Westfalen. Na de napoleontische nederlagen van 1812 en 1813 wordt de oude toestand hersteld door het Congres van Wenen in 1815.
Administratieve indeling omstreeks 1750
ambt Beverungen-Herstelle
ambt Boke
ambt Bredenborn
heerlijkheid Büren
ambt Delbrück
hoofdambt Dringenberg
ambt Lichtenau
ambt Lügde
ambt Neuhaus (met stad Paderborn)
gemeenschappelijk ambt Oldenburg (tot 1808 met Lippe, daarna aan Pruisen/Paderborn)
gemeenschappelijk ambt Schwalenberg (tot 1808 met Lippe, daarna aan Lippe)
ambt Steinheim
gemeenschappelijk ambt Stoppelberg (tot 1808 met Lippe, daarna aan Pruisen/Paderborn)