Pronkstilleven

Pronkstilleven (Jan Davidsz. de Heem)
Zilverwerk in een open kast, een pronkstilleven in een trompe-l'oeil. (Cornelis Norbertus Gysbrechts)

Een pronkstilleven is een stilleven dat zich kenmerkt door pracht en praal, vaak uitgedrukt in waardevolle of zeldzame objecten, etenswaren en bloemen. Het onderscheidt zich daarmee van het sobere ontbijtje of banketje, dat juist eenvoud en spaarzaamheid uitdrukt.

De Hollandse burgerij, die in de zeventiende eeuw welvarend was geworden, wilde haar rijkdom laten zien. Dat deed zij onder andere met pronkstillevens. Deze schilderijen onderscheiden zich door grote en complexe composities en uitbundig kleurgebruik, kenmerkend voor de barokke schilderstijl. Het pronkstilleven toont de welvaart met overladen tafels vol luxe voorwerpen zoals zilverwerk, porselein en glaswerk. Het weerspiegelt de hang naar luxe en rijkdom. Pronkstillevens zijn ook wel geïnterpreteerd als vanitas-schilderijen, met symbolen — zoals rozen, uurwerken en zandlopers — die de vergankelijkheid van aardse bezittingen benadrukken en de toeschouwer herinneren aan de noodzaak van matigheid en zelfbeheersing.

Dit type kunst ontstond in de jaren 1640 in Antwerpen, met kunstenaars zoals Frans Snyders en Adriaen van Utrecht, en werd snel populair in de Noordelijke Nederlanden, met schilders als Jan Davidsz. de Heem, Abraham van Beijeren en Willem Kalf. Andere vertegenwoordigers waren Nicolaes van Veerendael, Alexander Coosemans, Carstian Luyckx, Jasper Geerards en Peter Willebeeck. Het genre bereikte zijn hoogtepunt in uitbundigheid en weelde-uitstalling in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Cornelis Norbertus Gysbrechts ontwikkelde de stijl verder door pronkstillevens op te nemen in de trompe-l'oeil-composities waar hij bekend om stond.

Hoewel deze stijl zich ontwikkelde in de zeventiende eeuw, is de term pronkstilleven zelf pas na die eeuw ontstaan.