
In de differentiaalmeetkunde en de differentiaaltopologie is de raakruimte in een punt van een gekromde ruimte een vectorruimte die de raaklijn en het raakvlak tot hogere dimensies generaliseert.
Zij een glad oppervlak, ingebed in de driedimensionale euclidische ruimte . In ieder punt bestaat een uniek raakvlak waarvan punten een tweedimensionale reële vectorruimte vormen met als oorprong.
Algemener, zij een -dimensionale gladde variëteit, ingebed in de -dimensionale euclidische ruimte , met . Door ieder punt gaat een uniek -dimensionaal hypervlak van met de eigenschap dat, voor een gegeven lokaal coördinatenstelsel om , de afgeleiden van de coördinaatkrommen in evenwijdig lopen met . De ligging van is onafhankelijk van het gekozen coördinatenstelsel, maar hangt uiteraard wel af van .
Men noteert en noemt het raakruimte, of rakende ruimte, van in . De afgeleiden van de coördinaatkrommen vormen een basis voor .
Meetkundigen geven sinds Bernhard Riemann de voorkeur aan objecten die voor hun bestaan niet afhankelijk zijn van de gekozen coördinaten en inbedding in een hogerdimensionale euclidische ruimte.
De raakruimte van een willekeurige gladde variëteit in een punt wordt gedefinieerd door de volgende equivalentierelatie op de verzameling van alle gladde krommen die door gaan:
Twee krommen zijn equivalent als in een willekeurig coördinatenstelsel hun afgeleiden in gelijk zijn. Men toont aan dat deze eigenschap onafhankelijk is van de gekozen coördinaten.
De aldus ontstane partitie vormt een reële vectorruimte door coördinaatsgewijze optelling en scalaire vermenigvuldiging in een voldoende kleine omgeving van . De partitie wordt de raakruimte in genoemd. Zij een kaart rond een punt . De equivalentieklassen horend bij de coördinaatkrommen
vormen een basis voor . Dergelijke basisvectoren worden met de notatie aangeduid.
Aan de vereniging van alle raakruimten
kan weer de structuur van een -dimensionale gladde variëteit worden toegekend. Met elke kaart van wordt een kaart van gemaakt door de eerste coördinaten een punt van te laten aanduiden, en de volgende coördinaten een vector ten opzichte van de hierboven geschetste basis.
De variëteit heet de raakbundel van . Ze is het typevoorbeeld van het begrip vectorbundel. De afzonderlijke vectorruimten zijn de vezels van .
Een gladde afbeelding van of van een deel van naar die iedere afbeeldt op een vector uit de overeenkomstige vezel , noemen we een sectie van of ook vectorveld.
Met iedere vectorruimte associeert men de duale vectorruimte die bestaat uit de lineaire afbeeldingen van naar het scalairenlichaam .
De coraakruimte van in , genoteerd , bestaat uit de lineaire afbeeldingen van naar .
Met iedere basis van een eindigdimensionale vectorruimte komt een natuurlijke basis voor de duale vectorruimte overeen: de duale basisvector beeldt de basisvector af op 1, en alle andere basisvectoren op 0.
De duale basis van die overeenkomt met de basis van , noteren we .
De vereniging van alle coraakruimten in de verschillende punten van heet de corakende bundel van en wordt genoteerd. Ook hij wordt op natuurlijke wijze een -dimensionale variëteit, in feite een -dimensionale vectorbundel over . Zijn secties heten covectorvelden of covectoren.
Met een gladde afbeelding tussen gladde variëteiten komt een lineaire afbeelding tussen de raakruimten overeen. Deze kan op twee gelijkwaardige manieren worden gedefinieerd: