Revindicatie is het recht van de eigenaar van een roerende of van een onroerende zaak om die van eenieder die deze zaak zonder recht onder zich heeft op te eisen (artikel 5:2 BW). Het recht van de eigenaar om de zaak terug te vorderen vloeit voort uit het feit dat eigendom het meest omvattende recht is dat een persoon op een zaak kan hebben (artikel 5:1 BW). Omdat eigendom een absoluut recht is, kan de eigenaar dit recht in principe tegen eenieder inroepen. Ook de vruchtgebruiker, de erfpachter en degene die een opstalrecht heeft, kan deze revindicatie-vordering instellen.
Het recht geldt zelfs in het geval dat de bezitter van de zaak failliet is verklaard. Een eigendomsvoorbehoud kan derhalve bij koop op afbetaling en lease een zeer sterke bescherming bieden tegen betalingsonmacht van de koper, in principe zelfs sterker dan een pandrecht. Ook voor securitizatievennootschappen is dit van belang, omdat dit vaak papieren entiteiten zijn waarvan de bezittingen zich vaak bij derden bevinden. Overigens zal er dan wel sprake moeten zijn van een true sale (geldige overdracht).
Op het recht van revindicatie bestaan enkele uitzonderingen:
De verkrijger die te goeder trouw is, wordt beschermd tegen de onbevoegdheid van de vervreemder van (o.a.) een roerende zaak. Dit heet het leerstuk van derdenbescherming. Ondanks dat deze vervreemder niet bevoegd is de zaak over te dragen, kan er alsnog een geldige eigendomsoverdracht tot stand komen. Wel moet voldaan zijn aan de overige vereisten (levering, geldige titel en anders dan om niet). In een dergelijk geval gaat de eigendom over op de verkrijger; de oorspronkelijke eigenaar verliest zijn eigendom en kan dan niet meer revindiceren. De goede trouw van de verkrijger rechtvaardigt deze eigendomsoverdracht; de verkrijger wist niet, en hoefde in de omstandigheden ook niet te weten dat de vervreemder niet beschikkingsbevoegd was (artikel 3:11 BW).
Op de derdenbescherming die toekomt aan de verkrijger te goeder trouw, zijn uitzonderingen.
In het geval van diefstal van een roerende zaak kan de eigenaar zijn recht tot vindicatie alsnog uitoefenen. De verkrijger te goeder trouw wordt niet beschermd tegen de revindicatie-vordering van de eigenaar, mits deze vordering binnen 3 jaar gedaan wordt, te rekenen van de dag van de diefstal (artikel 3:86 lid 3 BW). De verkrijger kan als bezitter te goeder trouw op grond van artikel 3:120 BW wel recht hebben op vergoeding van de gemaakte kosten.
Op de mogelijkheid van de eigenaar om te revindiceren bij diefstal is ook weer een uitzondering. Er komt, ondanks de onbevoegdheid van vervreemder, wel een geldige eigendomsoverdracht tot stand, indien de verkrijger als consument het gestolene heeft gekocht in een winkel of een bedrijfsruimte van iemand, die van het verkopen van dergelijke zaken zijn bedrijf maakt (artikel 3:86 lid 3 sub a BW, zie ook het arrest Uitslag/Wolterink), of als het geld dan wel toonder- of orderpapier betreft (artikel 3:86 lid 3 sub b BW). Dit omdat vanuit het oogpunt van consumentenbescherming een consument die zijn boodschappen in een supermarkt koopt er redelijkerwijs op mag vertrouwen dat de aangeschafte boodschappen niet gestolen zijn. OPMERKING: - De wegwijsplicht van artikel 3:87 lid 1 BW blijft wel gelden.
Het vereiste van de betaling, in de wet aangeduid met: "anders dan om niet", betekent niet dat de prijs moet overeenstemmen met de werkelijke waarde van de overgedragen zaak. Voldoende is dat er betaald is, hoewel bij een symbolisch bedrag van een euro betwist kan worden of er sprake is van een echte koop.
Met goede trouw wordt in dit geval bedoeld dat de koper niet twijfelde en ook niet had behoren te twijfelen of de verkoper bevoegd was over de zaak te beschikken (artikel 3:11 BW). Van de koper wordt verlangd dat hij altijd enig onderzoek instelt naar de bevoegdheid van de verkoper. In het geval van de aankoop van een auto wordt in het algemeen vereist dat de koper ten minste de tenaamstelling van de kentekenpapieren van de auto heeft gecontroleerd, de op het betrokken voertuig aanwezige kentekenplaten en het in de auto door de fabrikant aangebrachte voertuigidentificatienummer (VIN).
Slechts in één geval wordt de hiervoor bedoelde koper niet beschermd tegen de revindicatie-vordering van de eigenaar. Als er sprake is geweest van diefstal, kan de eigenaar gedurende drie jaren na de dag van de diefstal de zaak alsnog bij deze opvorderen. Dat geldt niet in het geval van verduistering.
Voor registergoederen en onroerende zaken is de regeling vergelijkbaar als de derdenbescherming voor (o.a.) roerende zaken. Bij een registergoed, zoals een onroerende zaak - een woning, een gebouw of een perceel grond - wordt de verkrijger te goeder trouw beschermd. Dit geldt ook voor een gebrandmerkt schip, dat daarmee als roerende zaak ook een registergoed is. Degene die een dergelijke zaak verkregen heeft van de onbevoegde vervreemder, wordt beschermd tegen een revindicatie-vordering van de eigenaar op voorwaarde dat hij te goeder trouw was op het moment van de overdracht (artikel 3:88 BW).
Voor dit vereiste van de goede trouw geldt hetzelfde als voor de overdracht van een roerende zaak: de koper moet wel enig onderzoek hebben gedaan naar de bevoegdheid van degene die het registergoed aan hem heeft overgedragen. Hij zal in ieder geval het openbare register hebben moeten raadplegen, zoals het Kadaster voor onroerende zaken en de rechten daarop.
Een tweede voorwaarde voor die bescherming is dat de fout waardoor degene die de zaak heeft overgedragen en daartoe niet bevoegd is, veroorzaakt is bij een vorige overdracht van die zaak. De bescherming geldt niet als de vorige eigenaar ook niet bevoegd was. Het gaat om een fout bij de overdracht.