Rexarthuria

Het boveneinde van het opperarmbeen

Rexarthuria is een geslacht van de Pterosauria, behorende tot de Pterodactyloidea, dat tijdens het vroege Krijt leefde in het gebied van het huidige Engeland. De enige benoemde soort is Rexarthuria cliftii.

Vondst en naamgeving

In 1827 illustreerde Gideon Mantell in zijn Illustrations of the Geology of Sussex de fragmenten van een opperarmbeen. Hij vermeldde geen herkomst maar in die tijd verzamelde hij fossielen gevonden in steengroeven in het Tilgate Forest bij Cuckfield in West Sussex. Georges Cuvier had de stukken ook bekeken en geoordeeld dat het een uitgestorven reiger betrof. In 1837 stelde Mantell in een publicatie dat het om de middenvoet van een fossiele waadvogel ging, toen een uiterste zeldzaamheid. In 1838 verkocht hij zijn hele collectie wegens geldgebrek voor £4000,- aan het British Museum.

De vindplaats

In 1844 publiceerde Mantell in zijn boek The Medals of Creation de naam Palaeornis cliftii. De geslachtsnaam is een combinatie van het Grieks palaios, "oud", en ornis, "vogel". De soortaanduiding eert William Clift, de conservator van het Hunterian Museum. Clift had Mantell zeer geholpen bij het onderzoek naar Iguanodon. Al snel begrepen andere onderzoekers dat het helemaal niet om een vogel ging maar een pterosauriër. Daarbij was de naam Palaeornis al bezet door een parkiet als Palaeornis Vigors 1825. In 1846 gaf Richard Owen de vervangingsnaam Pterodactylus silvestris, een verwijzing naar Tilgate Forest. In 1847 gaf Christoph Gottfried Andreas Giebel de vervangingsnaam Pterodactylus ornis.

In de tweede helft van de negentiende eeuw werd het gebruikelijk om pterosauriërsoorten buiten het geslacht Pterodactylus te plaatsen. In 1888 maakte Richard Lydekker er een Ornithocheirus cliftii van. Fragmentarische fragmenten uit het vroege Krijt van Engeland werden indertijd bij voorkeur in Ornithocheirus geplaatst hoewel er in dit geval geen anatomisch bewijs voor was. In 1914 werd de naam bevestigd door Reginald Walter Hooley.

Het fossiel kreeg daarna een tijd lang weinig aandacht. In 2009 stelde Mark Paul Witton dat de soort tot de Lonchodectidae behoorde en geen soort van Ornithocheirus was. Hij herinnerde er aan dat de naam Palaeornis bezet was. Mantell had in 1848 de term Palaeornithis gebruikt als algemene aanduiding voor vermeende vogelbeenderen uit de Wealden. Witton suggereerde die naam te gaan gebruiken voor een pterosauriërgeslacht maar benoemde dit niet.

In 2012 en 2014 concludeerde Alexandr Awerianow dat het om een soort van de Azhdarchoidea moest gaan. In 2025 werd dat bevestigd door een analyse door Henry Thomas en Skye McDavid die de soort vond als het zustertaxon van de Tapejaridae.

In 2026 benoemden en beschreven Emily M.R. Thomas en Skye N. McDavid het geslacht Rexarthuria, "die van Koning Arthur". De verwijzing naar de legendarische koning beklemtoont dat het fossiel een van de eerste pterosauriërvondsten uit Engeland was en de oudste bekende azhdarchoïde uit Europa. Men stelde dat Palaeornithis geen prioriteit bezat daar die naam niet als genus nova aangeduid was zoals een vereiste is voor de geldigheid.

Het holotype, NHM UK 2353/2353a, is vermoedelijk gevonden in de Tunbridge Wells Sand Formation die dateert uit het Valanginien, ruim 135 miljoen jaar oud. Het bestaat uit het boveneinde en onderste uiteinde van een linkeropperarmbeen.

Beschrijving

Het onderste uiteinde

De beschrijvers geven geen exacte vleugelspanwijdte maar omschreven de soort als "middelgroot". Dat komt ruwweg overeen met een vlucht van zo'n drie meter. De bewaarde delen van het opperarmbeen zijn samen 105,9 millimeter lang. De schatting van de oorspronkelijke lengte is onzeker en hangt af van de aangenomen verwantschappen. Mocht het dier toch een ornithocheiride zijn, kan de spanwijdte rond de vier meter hebben gelegen.

Verschillende onderscheidende kenmerken zijn aangegeven. De crista ulnaris is uitzonderlijk sterk ontwikkeld en naar boven gericht. De condylus lateralis is sterk vergroot. De kop van het opperarmbeen heeft een opvallende uitstekende richel op het bovenste gewrichtsvlak. Boven de trochlea liggen twee opvallende foramina tussen de richels die over de schacht naar beneden lopen. De tak boven de gewrichtsknobbels steekt onderaan opvallend naar voren.

Daarnaast zijn er verschillen met speciaal de Tapejaridae, de zustergroep. De deltopectorale kam is naar boven gericht in plaats van haaks op de schacht te staan of schuin naar beneden. De deltopectorale kam heeft een versterkende richel op de onderzijde, een basaal kenmerk dat afgeleide tapejariden zouden verliezen. De beenstijl naar de buitenste onderste gewrichtsknobbel buigt onderaan naar voren in plaats van de symmetrische afgeplatte gewrichtsknobbels die bij afgeleide tapejariden een stabiele gang garanderen.

Hoewel van de rest van het skelet niets gevonden is, werd plausibel geacht dat Rexarthuria als basale vorm niet tandeloos was maar nog althans rudimentaire tanden bezat — daarentegen zou de snuitkam wel eens veel bescheidener kunnen zijn geweest.

Fylogenie

In 2026 werd de analyse uit 2025 bevestigd dat Rexarthuria binnen de Azhdarchoidea het zustertaxon is van de Tapejaridae. De Eutapejaria zouden in Europa ontstaan zijn en van daaruit Zuid-Amerika hebben gekoloniseerd.

Het volgende kladogram toont de positie in de evolutionaire stamboom volgens de analyse uit 2025. Volgens andere topologieën echter bestaan de Eutapejaria uit de Tapejaridae plus Sinraptoridae.

Ornithocheiroidea

Literatuur