Palmyreense Rijk

Palmyreense Rijk
← Romeinse Keizerrijk 260 n.Chr. – 273 n.Chr. Romeinse Keizerrijk →
Kaart
Het Palmyreense Rijk (geel) onder koningin Zenobia in 271 n.Chr.
Het Palmyreense Rijk (geel) onder koningin Zenobia in 271 n.Chr.
Algemene gegevens
Hoofdstad Palmyra
Talen Palmyreens Aramees, Oudgrieks
Regering
Regeringsvorm Monarchie
Staatshoofd koning
Geschiedenis
- Afgesplitst 260
- Heroverd 273

Het Palmyreense Rijk (260-273) was gedurende een deel van de crisis van de derde eeuw een tijdelijke afsplitsing van het Romeinse Rijk in het oostelijk Middellandse Zeegebied.

Het omvatte de Romeinse provincies van Syria, Egypte en grote delen van Asia Minor. De hoofdstad van het rijk was de woestijnstad Palmyra (Tadmor).

Palmyreense Rijk (260–272)

Voor het oostelijk deel van het Romeinse Rijk veranderde de politieke situatie drastisch door het opkomende Sassanidische Rijk, dat in 224 het Parthische Rijk verving. Waarschijnlijk als gevolg van de nederlaag van keizer Gordianus III in de Slag bij Misiche in 244 verhieven de inwoners van Palmyra een van de voornaamste mannen van de handelsstad genaamd Septimius Odaenathus tot exarchos. Dit ambt was klaarblijkelijk omwille van de kritieke situatie waarin men zich bevond ingesteld geworden. Odaenathus, die van Arabische afkomst was, was rond 250 in de Romeinse Senaat opgenomen. In 257/258 werd hij door keizer Valerianus tot stadhouder in Syria Phoenice verheven en in 258 werd hij vervolgens tot consul benoemd.

In 260 viel keizer Valerianus in de Slag bij Edessa in handen van de Perzische koning Shapur I. Palmyra, dat sinds de tijd van Hadrianus de status van een vrije stad genoot, verlangde nu naar toenemende onafhankelijkheid. Odaenathus slaagde erin - zij het weliswaar tevergeefs - om met de Perzische koning te onderhandelen en de situatie te stabiliseren, waarop keizer Gallienus hem benoemde tot keizerlijke plaatsvervanger. Shapur trok weliswaar op naar Syrië, maar werd echter bij zijn terugtocht, met rijke buit beladen, bij het oversteken van de Eufraat door Odaenathus aangevallen en verslagen.

In 261 versloeg Odaenathus bovendien de usurpator Quietus bij Emesa en elimineerde ook Balista, de praefectus praetorio van keizer Valerianus. Valerianus’ zoon Gallienus benoemde Odaenathus daarop tot dux Romanorum (leider van de Romeinen) en corrector totius Orientis (corrector van het hele oosten), waardoor Odaenathus de keizerlijke plaatsvervanger in het oosten van het Romeinse Rijk werd. Een verdere opmars van de Perzen kon worden voorkomen, terwijl Gallienus zich in de tussentijd bezighield met de verdediging van de westelijke gebieden. Odaenathus kon blijkbaar in 262/263 met zijn leger de Romeinse provincie Mesopotamia heroveren en tot bij de Perzische residentiestad Ctesiphon doordringen. Mogelijk leidde hij twee veldtochten tegen de Perzen, namelijk een in 261/262 en een tweede in 267.

Na de moord op de keizerlijke plaatsvervanger Odaenathus vermoedelijk rond eind 267 nam Septimia Zenobia de voogdij voor hun amper tienjarige zoon Vaballathus op en regeerde als koningin over een groot deel van het oosten van het Romeinse Rijk. Keizer Gallienus erkende haar heerschappij geenszins, zoals de in 268 geplande veldtocht van Heraclianus bewijst.

Zijn opvolger Claudius Gothicus vermeed elke vorm van inmenging, net zoals Zenobia formeel zijn heerschappij erkende. De koning van Palmyra erkende weliswaar de keizer in Rome, maar maakte gebruik van de Crisis van de derde eeuw, om de invloedsfeer van Palmyra in 270 tot in Arabië en Egypte uit te breiden. Tenagino Probus trachtte het rond oktober 270 bezette Alexandrië eind november te ontzetten, maar hij zou uiteindelijk worden verslagen en sterven. Ook delen van Anatolië, alsook van Cilicia en de stad Tyana, werden opgenomen in het Palmyreense Rijk, maar een verdere opmars vandaar westwaarts mislukte. Vaballathus voerde vanaf 270 de titel vir consularis rex imperator dux romanorum. In zijn naam werden langs straten mijlpalen opgericht en er was ook een zelfstandige rijksmuntslag. Op een mijlsteen in de provincie Syria Palaestina werd keizer Aurelianus, de opvolger van de in 270 overleden Claudius Gothicus, niet meer vermeldt. In Egypte bestond daarentegen tot april 272 formeel een condominium tussen de beide imperators, hoewel Aurelianus toen reeds een oorlog voorbereidde. In de oostelijke gebieden trad de imperator als koning der koningen op, als rex regum, naar analogie met de Perzische titulatuur.

Antoninianus van Zenobia als Augusta. S ZENOBIA AVG, gedrapeerde buste met diadeem met rechts ervan een halve maan; IVNO REGINA, Juno rechtstaand met haar hoofd naar links gekeerd, met een patera in de rechterhand en een scepter in linkerhand en pauw aan haar voeten en een ster in het linkerveld.

Bij de joden daarentegen was de in hun ogen aanvankelijk hoopgevende heerschappij van Palymra gehaat, ten laatste sinds Odaenathus in 259 de Talmoed-academie van Nehardea had vernietigd en tijdens zijn veldtocht tegen Ctesiphon in 262 Mesopotamische joden uit Babylonië (die loyaal waren aan Shapur I) naar Palestina had laten deporteren. In elk geval kwam het tot onrust in deze regio, maar over de omvang hiervan weten we niet veel. Als gevolg hiervan sloten ook troepen uit Palestina zich aan bij de veldtocht van Aurelianus tegen Palmyra, terwijl de Alexandrijnse Joden eerder aan de kant van de Palmyreneërs bleven, vooral omdat ze waren opgevorderd door Zenobia (die overigens wel bekend stond als tolerant tegenover de joodse gemeenschap in haar rijk).

In de tweede helft van 271 marcheerde Aurelianus naar Byzantion, waar hij overwinterde, in het voorjaar van 272 ging hij de oorlog aan tegen Zenobia, waarbij de stad Tyana hem weerstand bood, zodat hij deze moest belegeren. Vanuit politieke berekening zag hij echter af van een plundering van de stad na haar inname. Zenobia liet haar zoon daarop tot Augustus en zichzelf tot Augusta uitroepen. Op munten werd Aurelianus echter nog altijd als Augustus vermeld. In twee verslagen bij respectievelijk Antiochia (Immae) en Emesa versloeg Aurelianus hun leger, liet Antiochië net zoals Tyana ongemoeid na haar inname, en in juni had hij reeds de macht over Egypte herwonnen.

In augustus 272 trok hij tenslotte op tegen de grotendeels niet ommuurde oasestad Palmyra, met steun van de Arabische stambond van de Tanukhiden onder leiding van de Lakhmidenheerser 'Amr ibn Adi, die vijandig stond tegenover Palmyra. Zenobia werd op haar vluchttocht aan de Eufraat gevangen genomen, in Emesa voor de rechter gebracht en naar Rome gevoerd, waar Aurelianus haar in 274 samen met de Gallische usurpator Tetricus I in een triomftoch door Rome voerde. Volgens de Historia Augusta en meerdere andere bronnen bracht ze haar laatste dagen door in een villa niet ver weg van Tivoli bij Rome en stierf als matrona in de hoofdstad. Zosimos vermeld daarentegen dat Zenobia onderweg naar Rome zou zijn overleden hetzij door een ziekte hetzij doordat ze weigerde te eten en zo zichzelf uithongerde. Haar trouwe politieke raadgever, de filosoof Cassius Longinus, werd nog in Emesa geëxecuteerd, evenals “zeker ook” haar generaal Septimius Zabdas, die indertijd haar leger naar Egypte had aangevoerd. Een nieuwe poging tot opstand van de Palmyrenen stortte in na de aankomst van Aurelianus in de vroege zomer van 273 in. In Egypte, waar het in Alexandrië tot een opstand was gekomen, werd de corrector Claudius Firmus ingezet, waarbij de munten met zowel Aurelianus als Vaballathus op uit circulatie werden genomen. Met de cultus van Sol Invictus voerde hij over het hele Romeinse Rijk een nieuwe staatscultus in.

Noten

  1. ↑ (de) U. Hartmann, Das palmyrenische Teilreich, Stuttgart, 2001, hier: p. 92.
  2. ↑ Dit en de volgende zaken zijn gebaseerd op: (de) U. Hartmann, Das palmyrenische Teilreich, Stuttgart, 2001.
  3. ↑ Petrus Patricius, fragment 10.
  4. ↑ De bespreking van het onderzoek hierover vindt men bij: (de) U. Hartmann, Das palmyrenische Teilreich, Stuttgart, 2001, pp. 146ff.
  5. ↑ Over de strijd met de Perzen, zie: (de) U. Hartmann Das palmyrenische Teilreich, Stuttgart, 2001, pp. 162ff.
  6. ↑ Voor de onderzoeksdiscussie hierover, zie: (de) U. Hartmann, Das palmyrenische Teilreich, Stuttgart, 2001, pp. 247-248.
  7. ↑ (de) U. Hartmann, Das palmyrenische Teilreich, Stuttgart, 2001, p. 169.
  8. ↑ (de) U. Hartmann, Das palmyrenische Teilreich, Stuttgart, 2001, pp. 330–331.
  9. ↑ (de) U. Hartmann, Das palmyrenische Teilreich, Stuttgart, 2001, pp. 328, 288-289.
  10. ↑ Historia Nova I 59.
  11. ↑ (de) U. Hartmann, Das palmyrenische Teilreich, Stuttgart, 2001, p. 392.
  12. ↑ (de) U. Hartmann, Das palmyrenische Teilreich, Stuttgart, 2001, pp. 406-407.

Referenties