De wet van Shannon-Hartley zegt dat de maximale hoeveelheid data die foutloos over een kanaal getransporteerd kan worden lineair toeneemt met de bandbreedte van het kanaal en verder afhankelijk is van de signaal-ruisverhouding. De wet is genoemd naar Claude Shannon en Ralph Hartley en de aangegeven maximale hoeveelheid data staat ook bekend als shannonlimiet of shannoncapaciteit.
De shannoncapaciteit is de kanaalcapaciteit of bitrate die wordt gegeven door:
Daarin is:
Voor grote signaal-ruisverhoudingen kan de formule worden benaderd door:
Voor kleine signaal-ruisverhoudingen kan de formule worden benaderd door:
De wet is in 1948 door Shannon gepubliceerd en onder andere gebaseerd op werk van Hartley, die een wet formuleerde die zei dat informatie proportioneel is met het product van tijd en bandbreedte.
Shannon gaf met deze wet dan wel aan wat de theoretische kanaalcapaciteit is, maar onthield zich van uitspraken over welke kanaalcoderingsmethode nodig is om dit te bereiken. Ongecodeerde QPSK zit voor een bitfoutkans van 10−6 bijna 9 dB bij de Shannonlimiet vandaan. Via de Hamming-code in 1950, de convolutiecodering in 1955, het Viterbi-algoritme, de BCH-codes en de Reed-Solomoncodes rond 1960 en Trellis-gecodeerde modulatie in 1987 kwam men steeds dichter bij de Shannonlimiet.
Een belangrijke doorbraak die communicatie zeer dicht bij de Shannonlimiet mogelijk maakt, was de uitvinding van Turbocodes in 1993. Turbocodes, samen met de in 1996 herontdekte low-density parity-check codes, worden toegepast in recente standaarden als WiMAX, DVB-S2 en UMTS.