| Berijpt kratertje | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Stictis friabilis (W. Phillips & Plowr.) Sacc. & Traverso (1911 ) | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
|
Peziza friabilis | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
Het berijpt kratertje (Stictis friabilis) is een schimmel uit de familie Stictidaceae. De soort leeft saprotroof op dood hout en schors van loofbomen en -struiken.
De apothecia zijn klein, tot ongeveer 0,5 mm in diameter. Ze breken aanvankelijk door het substraat naar buiten en worden later meer oppervlakkig. De vruchtbare schijf ligt verdiept, is roodachtig van kleur en wordt omgeven door een brede, crèmekleurige en berijpte rand.
De ascosporen zijn kleurloos, langwerpig en meervoudig gesepteerd. Ze meten ongeveer 55–70 × 2,5–3,5 µm. Voor een betrouwbare determinatie is microscopische controle noodzakelijk.
Het berijpt kratertje groeit op dood hout en dode schors. In Nederland wordt de soort vooral in loofbos aangetroffen op hout van loofbomen en -struiken. Uit de literatuur zijn onder meer vondsten bekend van dood hout en schors van tamme kastanje (Castanea sativa) en framboos (Rubus idaeus). Ook is de soort gemeld van dode takken van eik (Quercus).
De soort werd oorspronkelijk in 1876 door William Phillips en Charles Bagge Plowright beschreven als Peziza friabilis. In 1911 brachten Pier Andrea Saccardo en Giovanni Battista Traverso de soort onder in het geslacht Stictis als Stictis friabilis. Deze naam wordt door Index Fungorum en Species Fungorum als de huidige naam geaccepteerd.
In Nederland komt het berijpt kratertje 'zeer zeldzaam' voor. Deze zeldzaamheidsaanduiding is gebaseerd op gevalideerde Nederlandse waarnemingen uit de periode 2004–2023.