Streaming media zijn media, zoals video en audio, die via een computernetwerk (meestal het internet) worden verspreid en al worden afgespeeld terwijl de gegevens nog binnenkomen. Het proces heet streamen. Anders dan bij downloaden hoeft de gebruiker niet te wachten tot het volledige bestand binnen is.
Streaming wordt gebruikt voor video on demand (zoals bij Netflix en Prime Video), voor webvideo (zoals bij YouTube), voor livestreaming (zoals bij Twitch) en voor muziek en podcasts (zoals bij Spotify).
Een stream doorloopt globaal vier stappen:
Moderne streamingdiensten coderen elke titel vooraf in meerdere versies, elk met een eigen combinatie van resolutie en bitrate. Zo'n reeks heet een bitrateladder. De speler meet tijdens het afspelen voortdurend de beschikbare bandbreedte en kiest per segment de best passende versie. Bij een tragere verbinding schakelt de speler terug naar een lagere kwaliteit in plaats van te stoppen om te bufferen.
De meeste streams worden tegenwoordig verstuurd via het gewone HTTP-protocol, waardoor bestaande webservers en caches bruikbaar zijn. De twee belangrijkste standaarden zijn:
Oudere streamingsystemen gebruikten eigen protocollen, zoals het Real Time Streaming Protocol (RTSP). Voor toepassingen met zeer weinig vertraging, zoals videobellen en interactieve livestreams, wordt WebRTC gebruikt. Dat werd in januari 2021 een officiële standaard van het W3C en de IETF.
Om miljoenen kijkers tegelijk te bedienen, slaan grote diensten kopieën van hun materiaal op servers dicht bij de gebruiker op. Een kijker krijgt de video dan van een nabije server in plaats van de oorspronkelijke bron. Dat verkort de laadtijd en ontlast de bronserver. Netflix en Google plaatsen zulke servers zelfs binnen het netwerk van internetproviders; zie de voorbeelden hieronder.
Netflix verdeelt het werk over twee systemen. Alles wat gebeurt voordat de kijker op afspelen drukt, zoals de gebruikersinterface, de aanbevelingen en het transcoderen, draait in de cloud van Amazon Web Services (AWS). Het afspelen zelf verloopt via Open Connect, een eigen CDN dat Netflix in 2011 ontwikkelde en dat in 2016 al het videoverkeer van de dienst verzorgde.
Netflix geeft internetproviders gratis eigen servers (Open Connect Appliances), die in het datacentrum van de provider worden geplaatst. Op basis van populariteitsmodellen zet Netflix films en series buiten de piekuren alvast op deze servers. Een kijker haalt de video daardoor meestal op bij een server binnen of direct naast het netwerk van de eigen provider. Volgens Netflix stonden zulke servers in 2016 op bijna 1000 locaties wereldwijd.
Sinds 2015 maakt Netflix voor elke titel een eigen bitrateladder (per-title encoding). Een eenvoudige tekenfilm krijgt een lagere bitrate dan een actiefilm met veel beweging, bij gelijke beeldkwaliteit. Zo kon een aflevering van BoJack Horseman in 1080p worden gestreamd bij 1540 kbit/s, waar het oude vaste schema bij 1750 kbit/s nog 480p gebruikte.
Netflix gebruikte sinds de start van de streamingdienst in 2007 vooral de codec H.264. In 2015 was het medeoprichter van de Alliance for Open Media, die de open, royaltyvrije codec AV1 ontwikkelde. In december 2025 werd ongeveer 30 procent van alle Netflix-kijktijd in AV1 gestreamd. Volgens Netflix gebruiken AV1-sessies een derde minder bandbreedte dan H.264 en HEVC, met 45 procent minder onderbrekingen door buffering.
YouTube schakelde in januari 2015 in de grote browsers standaard over van Flash naar de HTML5-videospeler. Dat werd mogelijk door de browsertechniek Media Source Extensions, die adaptieve bitrate in de browser zelf ondersteunt, en door de codec VP9 van Google, die volgens YouTube gemiddeld 35 procent bandbreedte bespaart.
YouTube kiest de codec mede op basis van hoe vaak een video wordt bekeken. Uit metingen van de streamingdeskundige Jan Ozer bleek dat video's met weinig weergaven vooral in H.264 werden aangeboden, video's met duizenden weergaven ook in VP9, en video's met miljoenen weergaven ook in AV1. Het rekenintensieve coderen in een efficiëntere codec loont pas bij veel kijkers.
Net als Netflix plaatst Google cacheservers bij internetproviders, onder de naam Google Global Cache. Volgens Google kan daarmee doorgaans 70 tot 90 procent van het cachebare verkeer binnen het netwerk van de provider worden afgehandeld.
Prime Video van Amazon maakt gebruik van de clouddiensten van Amazon Web Services. Voor de live-uitzendingen van de NFL-wedstrijden op donderdagavond (Thursday Night Football) in 2017 gebruikte Prime Video diensten van AWS voor het coderen en verpakken van de beelden, voor het in realtime invoegen van regionale reclame en voor de distributie via het CDN CloudFront. Volgens AWS keken dat seizoen 18,4 miljoen kijkers in 224 landen en gebieden, op meer dan 600 soorten apparaten.
In 2024 liep het livebeeld van Prime Video volgens Amazon met een eigen speler hoogstens ongeveer tien seconden achter op de werkelijkheid. Per wedstrijd werden ongeveer 36 feeds gecodeerd en verpakt, onder meer voor een Spaanstalige versie en reservestromen. Omdat kijkers bij de aftrap massaal tegelijk inschakelen, moeten de systemen op plotselinge pieken zijn voorbereid.
Een codec bepaalt hoe beeld en geluid worden gecomprimeerd. Apple schrijft voor HLS bijvoorbeeld H.264, HEVC of AV1 voor. Veelgebruikte videocodecs voor streaming zijn:
Voor audio wordt vaak AAC gebruikt, en voor verliesvrije muziek FLAC. Beeld en geluid worden samen in een container verpakt, zoals gefragmenteerd MP4, gebaseerd op MPEG-4. Een open alternatief is WebM, gebaseerd op het containerformaat Matroska, met de videocodecs VP8 of VP9 en de audiocodecs Vorbis of Opus.
Bij video on demand staat het materiaal vooraf gecodeerd klaar en kan het, zoals bij Netflix, buiten de piekuren alvast dicht bij de kijker worden gezet. Bij livestreaming moet het beeld tijdens de uitzending worden gecodeerd en verspreid, en schakelen kijkers vaak massaal tegelijk in. Dat maakt live-uitzendingen voor grote groepen technisch zwaarder.
Een voorbeeld is de bokswedstrijd tussen Jake Paul en Mike Tyson op Netflix in november 2024. Die bereikte volgens Netflix een piek van 65 miljoen gelijktijdige streams, maar veel kijkers hadden last van haperend en onscherp beeld.
Betaalde diensten beschermen hun materiaal met Digital rights management (DRM): de stream wordt versleuteld en alleen een geautoriseerde speler krijgt de sleutel om hem af te spelen. Apple gebruikt hiervoor FairPlay Streaming, dat HLS-streams versleutelt en de sleutels veilig uitwisselt.
In browsers verloopt dit via Encrypted Media Extensions (EME), een interface die in september 2017 een W3C-standaard werd. Samen met Media Source Extensions maakt EME het mogelijk om beschermde video zonder plug-in in de browser af te spelen. Het besluit was omstreden: de Electronic Frontier Foundation zegde uit protest haar W3C-lidmaatschap op.
Streams worden afgespeeld in de webbrowser, in apps voor smartphone en tablet, of op de televisie via een smart-tv, een settopbox of een streamingapparaat zoals Chromecast of Apple TV.
Vroeger was voor video in de browser een plug-in nodig, zoals de RealPlayer, Windows Media Player, de speler van QuickTime of Adobe Flash Player. Open webstandaarden zoals HTML5 hebben die plug-ins vervangen. Flash Player werd op 31 december 2020 definitief beëindigd.
Een van de vroegste voorbeelden van live beelden via een netwerk was de camera op het koffiezetapparaat in het computerlaboratorium van de Universiteit van Cambridge. Medewerkers konden daarmee vanaf 1991 op hun computer zien of er koffie was. In 1993 werd het beeld via het wereldwijd web voor iedereen zichtbaar.
In april 1995 bracht Progressive Networks, opgericht door Rob Glaser, RealAudio uit, het eerste commerciële systeem voor audio op aanvraag via internet. Het bedrijf werd later RealNetworks. In maart 1996 kondigden Progressive Networks en Microsoft een samenwerking aan. Volgens het bedrijf waren er toen al meer dan 3 miljoen RealAudio-spelers verspreid.
Microsoft ontwikkelde daarna een eigen platform, dat in oktober 1999 de naam Windows Media kreeg. De twee bedrijven werden felle concurrenten met elk hun eigen formaten. Later verdrongen eerst Adobe Flash en daarna HTML5 deze formaten.
In 2008 voegde Microsoft H.264 toe aan Silverlight. In 2010 introduceerde Google het formaat WebM en in 2012 besloot ook Mozilla H.264 te ondersteunen.
Belangrijke stappen daarna waren HLS (2009), MPEG-DASH (2012), de overstap van YouTube naar HTML5 (2015), EME (2017), het einde van Flash (2020) en de standaardisatie van WebRTC (2021).
Video is de grootste bron van internetverkeer. Volgens netwerkbedrijf Sandvine was video in 2019 goed voor meer dan 60 procent van het dataverkeer dat gebruikers wereldwijd ontvingen, en Netflix alleen al voor 12,6 procent.
Tijdens de coronapandemie moesten bioscopen bij lockdowns tijdelijk sluiten. Daardoor verschenen sommige films direct of gelijktijdig op streamingdiensten. Zo bracht Warner Bros. al zijn films van 2021 in de Verenigde Staten op dezelfde dag uit in de bioscoop en op HBO Max.