Vervangingstheologie, ook wel supersessionisme genoemd, is een verzamelnaam voor christelijke opvattingen waarin christenen, de Kerk of het Nieuwe Verbond de plaats, functie of verbondsvoorrechten van het Bijbelse Israël overnemen. Voorstanders spreken vaak liever van vervullingstheologie, omdat zij stellen dat de beloften, wet en eredienst van Israël niet eenvoudig worden afgeschaft, maar in Christus worden vervuld.
Het christendom ontstond in de eerste eeuw binnen het jodendom van de Tweede Tempelperiode. Jezus, zijn eerste leerlingen en de apostel Paulus waren Joden. De eerste discussies gingen daarom niet over twee reeds volledig gescheiden godsdiensten, maar over de vraag wie tot het volk van God behoorde en onder welke voorwaarden niet-Joden tot de messiaanse gemeenschap konden toetreden.
Paulus leerde dat niet-Joden niet eerst besneden hoefden te worden of volledig onder de wet van Mozes hoefden te leven om in de beloften aan Abraham te delen. Door geloof in Christus werden zij volgens hem kinderen en erfgenamen van Abraham:
“En indien gij van Christus zijt, zo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen.”
Toen steeds meer niet-Joden christen werden en een groot deel van het Joodse volk Jezus niet als Messias aanvaardde, ontstond een steeds duidelijkere scheiding tussen christelijke en rabbijnse gemeenschappen.
Binnen het protestantisme bestaat geen uniforme leer over Israël en de Kerk.
In de klassieke gereformeerde verbondstheologie bestaat door de geschiedenis heen in beginsel één volk van God. De gelovigen uit het Oude Testament en de christelijke Kerk behoren tot hetzelfde genadeverbond, dat in verschillende historische bedelingen tot uitdrukking komt.
De Westminster Confessie uit 1647 stelt dat de zichtbare Kerk vóór Christus grotendeels tot het volk Israël was beperkt, maar onder het evangelie niet meer aan één volk is gebonden en zich tot alle volken uitstrekt.
Aanhangers van deze visie stellen meestal niet dat God eerst een Joods volk had en dit vervolgens verving door een volledig afzonderlijk niet-Joods volk. Zij stellen eerder dat de Kerk de voortzetting en uitbreiding van het ene verbondsvolk vormt.
Tegenstanders noemen dit desondanks vervangingstheologie, omdat nationale, ceremoniële en territoriale beloften aan Israël in deze benadering hoofdzakelijk in Christus en de wereldwijde Kerk worden vervuld.
Binnen gereformeerde kerken wordt verschillend gedacht over een toekomstige bekering van het Joodse volk. Sommige theologen verstaan de woorden “heel Israël zal gered worden” in Romeinen 11:26 als een toekomstige, grootschalige bekering van Joden. Anderen verstaan “heel Israël” als de volledige gemeenschap van Joodse en niet-Joodse gelovigen.
Evangelicale protestanten leggen doorgaans sterk de nadruk op persoonlijk geloof in Jezus. Joodse afkomst, besnijdenis of deelname aan het verbondsvolk geldt daarbij niet als automatische garantie op individuele verlossing.
De Southern Baptist Convention verklaarde in 1996 dat het evangelie ook aan Joden moet worden verkondigd. Daarbij verwees zij naar Romeinen 1:16, waar het evangelie wordt omschreven als Gods reddende kracht “eerst voor de Jood en ook voor de Griek”.
De Lausanne Consultation on Jewish Evangelism stelt eveneens dat verlossing door Jezus Christus komt en dat de christelijke verkondiging daarom ook op Joden gericht mag worden.
Deze positie betekent niet noodzakelijk dat het Joodse volk iedere bijzondere plaats in Gods heilsplan heeft verloren. Veel evangelicale christenen combineren drie beweringen:
Het dispensationalisme, dat in de negentiende eeuw vooral door John Nelson Darby werd ontwikkeld, maakt een sterker onderscheid tussen Israël en de Kerk.
Israël behoudt volgens deze leer nationale, territoriale en profetische beloften die niet volledig op de Kerk mogen worden toegepast. Veel dispensationalisten verwachten:
Deze benadering vormde een belangrijke voedingsbodem voor christelijk zionisme. Binnen bepaalde vormen daarvan worden de oprichting van de moderne staat Israël in 1948 en de Israëlische controle over Oost-Jeruzalem vanaf 1967 beschouwd als vervulling van Bijbelse profetieën.
Delen van wat tegenwoordig vervangingstheologie wordt genoemd, ontwikkelden zich vanaf Paulus en werden door latere kerkvaders verder uitgewerkt.
In 2 Korintiërs 3 noemt Paulus zichzelf en zijn medewerkers dienaren van een nieuw verbond.
“Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.”
Wanneer het oude verbond wordt gelezen, ligt er volgens Paulus een sluier die alleen in Christus wordt weggenomen.
Volgens Paulus overtreft nieuwe verbond het oude en neemt de centrale heilsfunctie ervan over.
Romeinen 9 tot en met 11 vormt Paulus’ uitvoerigste behandeling van Israël.
In Romeinen 9 noemt Paulus zijn volksgenoten nog steeds Israëlieten. Hij schrijft tegelijkertijd dat niet allen die uit Israël voortkomen werkelijk tot het reddende Israël behoren:
“Want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.”
Lichamelijke afstamming alleen garandeert volgens deze passage geen deelname aan Gods belofte.
In Romeinen 10 stelt Paulus dat Israël ijver voor God heeft, maar zonder het juiste inzicht. Hij bidt om de redding van zijn volksgenoten en verklaart:
“Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft.”
Volgens deze lezing ligt verlossing niet in Joodse afkomst of onderhouding van de wet, maar in Christus.
De anonieme Brief van Barnabas stelt dat het verbond niet tegelijk van Joden en christenen is.
Volgens de auteur verloren de Israëlieten het verbond door de aanbidding van het gouden kalf. Mozes verbrak de stenen tafelen, waarna het verbond van Jezus in de harten van christenen kon worden bevestigd.
Ignatius van Antiochië waarschuwde christenen in zijn brief aan de Magnesiërs tegen “judaïseren”.
Hij schreef dat iemand die nog volgens het jodendom leefde daarmee liet zien de christelijke genade niet werkelijk te hebben ontvangen. Ook stelde hij dat het christendom niet tot geloof in het jodendom was gekomen, maar dat het jodendom zijn bestemming in het christendom vond.
Justinus de Martelaar formuleerde in zijn Dialoog met Trypho een van de eerste systematische vervangingstheologische opvattingen.
Hij stelde dat een later verbond het eerdere verbond had beëindigd en noemde de christelijke gemeenschap het ware geestelijke Israël.
In zijn paaspreek Peri Pascha beschuldigde Melito van Sardes Israël collectief van de dood van Christus. Hij gebruikte daarbij de formulering dat God door Israël was gedood.
In Adversus Judaeos paste Tertullianus de twee volken in de moederschoot van Rebekka toe op Joden en christenen.
Het oudere volk werd verbonden met Israël en het jongere met de christelijke gemeenschap. De oude wet zou volgens hem plaatsmaken voor een nieuwe en geestelijke wet.
Cyprianus van Carthago ordende in Ad Quirinum Bijbelteksten onder stellingen dat:
Cyprianus leverde daarmee een van de meest systematische vroege vormen van vervangingstheologie.
Origenes schreef in Contra Celsum dat Gods voorzienige zorg, die eerder op het Joodse volk was gericht, na Jezus zichtbaar naar de christelijke gemeenschap was overgegaan.
Hij beweerde bovendien dat er na Jezus geen profeten en wonderen meer onder de Joden voorkwamen, terwijl dergelijke verschijnselen volgens hem nog wel in christelijke gemeenschappen plaatsvonden. Origenes verbond de val van Jeruzalem eveneens met de afwijzing en kruisiging van Jezus.
Eusebius van Caesarea beschouwde de vernietiging van Jeruzalem, het verlies van de tempel en de verspreiding van de Joden als zichtbare bevestiging dat de oude orde was geëindigd. De internationale groei van de Kerk gold daartegenover als vervulling van profetieën waarin alle volken tot de God van Israël zouden komen.
Johannes Chrysostomus hield in Antiochië acht redevoeringen tegen christenen die synagogen bezochten, Joodse feestdagen onderhielden of daar eden aflegden. Hij gebruikte bijzonder vijandige beelden voor de synagoge en stelde dat God het jodendom had verlaten.
In De civitate Dei stelde Augustinus van Hippo dat Joden door hun verspreiding over de wereld onvrijwillige getuigen waren van de waarheid van het christendom.
Zij bewaarden de profetische Schriften. Daardoor konden christenen volgens Augustinus niet worden beschuldigd van het achteraf uitvinden van de profetieën over Jezus.
Augustinus verwachtte een toekomstige bekering van Joden vóór het einde van de geschiedenis.
Volgens de evangeliën voorspelde Jezus de verwoesting van de Tweede Tempel:
“Hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.”
De voorspelling kwam uit en de tempel werd in het jaar 70 door Romeinse troepen verwoest. Daardoor konden offers en andere gebruiken van de oude eredienst niet meer op dezelfde wijze worden voortgezet Het huidige rabbijnse jodendom is daarom niet hetzelfde als het Bijbelse tempeljodendom.
In de rabbijnse literatuur worden bovennatuurlijke tekenen beschreven die met de tempeldienst verbonden waren. In de Babylonische Talmoed, Yoma 39b en de Jeruzalemse Talmoed, Yoma 6:3, staat dat gedurende de laatste veertig jaar vóór de verwoesting vier gunstige tempeltekenen ophielden:
Hoewel de Babylonische Talmoed werd pas eeuwen later werd geredigeerd, betekent dat niet dat de daarin opgenomen traditie pas toen ontstond. Veel uitspraken worden toegeschreven aan rabbijnen uit de eerste en tweede eeuw. Buiten de Talmoed bestaat nog een bron over de deuren van de tempel. De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus schreef omstreeks 75–79 dat een zware oostelijke tempelpoort ’s nachts uit zichzelf was opengegaan.
Omdat de tempel in het jaar 70 werd verwoest, komt “veertig jaar eerder” uit rond het jaar 30. Dit ligt binnen de gebruikelijke historische periode waarin Jezus werd gekruisigd. Zo wordt door verschillende theologen gesteld dat de tekenen ophielden omdat het offer van Christus de tempeloffers had vervuld.
Wanneer vervangingstheologie wordt aanvaard heeft dat directe gevolgen voor de christelijke omgang met hedendaagse Joden. In die visie bezit Joodse afkomst geen automatische verlossende betekenis en vormt het rabbijnse jodendom geen zelfstandige heilsweg naast Christus. Dit sluit aan bij Paulus’ uitspraak dat Christus “het einde der wet” is voor ieder die gelooft en bij Jezus’ woorden:
“Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.”
Vanuit deze opvatting moeten ook Joden Jezus als Messias aanvaarden. Hun historische verbondenheid met Israël of hun afstamming van de aartsvaders geldt dan niet als vervanging voor geloof in Christus.
Dit relativeert een vorm van christelijke Israëlverering, manifesterend in onder andere Christenen voor Israël, waarin het Joodse volk of de staat Israël bijna automatisch als geestelijk goedgekeurd wordt beschouwd.