| Syndroom van Crouzon | ||||
|---|---|---|---|---|
| Dysostosis craniofacialis hereditaria | ||||
Baby met het Crouzon-syndroom | ||||
| Synoniemen | ||||
| Latijn | dysostosis craniofacialis morbus Crouzon | |||
| Nederlands | crouzonsyndroom ziekte van Crouzon | |||
| Coderingen | ||||
| ICD-11 ICD-10 |
LD24.G1 Q75.1 | |||
| OMIM | 123500 | |||
| DOID | 2339 | |||
| MeSH | D003394 | |||
| ||||
Het syndroom van Crouzon of dysostosis craniofacialis herededitaria is een aangeboren craniosynostosesyndroom. De aandoening wordt autosomaal dominant overgeërfd met wisselende expressie (leden van een familie kunnen een verschillend sterke mate van misvorming van de schedel en het gelaat vertonen). Bij circa één derde van de patiënten betreft het een nieuwe mutatie (die dan echter door de patiënt wel kan worden doorgegeven). De frequentie is ongeveer 1 op 25.000 geboorten.
Het syndroom werd voor het eerst beschreven door de Franse neuroloog Louis Crouzon in 1912.
Een mutatie in het op chromosoom 10 gelegen gen FGFR2, net als bij het syndroom van Apert.
In Nederland treft het syndroom van Crouzon 1 op 25.000 geboren kinderen. Het maakt ongeveer 5% van het totale aantal craniosynostosen uit.
Andere craniosynostosesyndromen zijn: