
Taalpurisme of taalzuivering is het bewust uit de taal weren van woorden en uitdrukkingen die door de spraakmakende gemeente als ongewenst beschouwd worden.
Er zijn in de wereld geen talen zonder leenwoorden. Het percentage leenwoorden per taal kan weliswaar sterk variëren. De woordenschat van Engels bestaat bijvoorbeeld voor meer dan de helft uit leenwoorden, terwijl in het IJslands minder dan 10 procent van de woorden afkomstig is uit andere talen.
Sommige taalgemeenschappen hebben een strikt beleid inzake leenwoorden. Zo publiceert in Frankrijk de Académie française geregeld lijsten met Franse alternatieven voor vreemde woorden. Onder meer voor fax, ketchup of walkman zijn in de twintigste eeuw de vertalingen télécopie, tomatine en baladeur bedacht. In andere taalgebieden springt men dan weer veel soepeler om met leenwoorden. In het Italiaans worden bijvoorbeeld maar weinig Engelse woorden doelbewust vervangen door zuiver Italiaanse varianten. Zelfs algemeen Romaanse afkortingen als OVNI ‘ufo’ of SIDA ‘aids’ worden in het Italiaans niet gebruikt.
Bij het horen van de term taalpurisme wordt doorgaans gedacht aan de verwijdering van exogene elementen uit een taal. Maar taalpurisme kan in feite ook veel ruimer worden opgevat. Allereerst is taalpurisme immers slechts een van de componenten in het codificatieproces van een standaardtaal. Ook in taalgebieden waar men openstaat voor alle vreemde invloeden, hebben mensen zich ten slotte steeds bekommerd om de cultivering van hun moedertaal. De casus van het Engelse standaardiseringsproces, bijvoorbeeld, bewijst dat het perfect mogelijk is om een eigen woordenschat uit te bouwen zonder daarbij uitheemse invloed te duchten.
Het creëren van een eigen woordenschat is dan ook maar een van de onderdelen in het ontwikkelingsproces van een standaardtaal. Er dient daarnaast ook een spraakkunst te worden vastgelegd, er is nood aan vaste spellingregels en er moet een algemene consensus over de uitspraak komen. Er bestaat, bij talen met een groot percentage aan lexicaal exogene taalelementen, veelal een tendens juist op die andere aspecten van het codificatieproces de nadruk te beginnen te leggen. Bij hun bestrijding van vreemde elementen kunnen taalzuiveraars immers ook aspecten uit bepaalde variëteiten van een taal weren, bijvoorbeeld componenten uit bepaalde stijlregisters of invloeden van bepaalde dialecten.
Door de 19e-eeuwse neogrammatici werden talen beschouwd als een product van door rigoureuze taalwetten geregeerde organische processen. Veel klankwetten zijn dan ook uitgedacht door geleerden van deze wetenschappelijke stroming. Historische taalkundigen zagen taalverandering als een onvermijdelijk proces en de pogingen van taalzuiveraars om deze ontwikkelingsgang een halt toe te roepen, werden als onnatuurlijk bestempeld. Bovendien werden de 19e-eeuwse taalgeleerden beïnvloed door de romantiek, waar men dialecten op een voetstuk zette wegens hun veronderstelde zuiverheid. Bijgevolg zag men standaardtalen als kunstmatige creaties.
Anderzijds bracht het taalhistorische werk van de neogrammatici verborgen lagen in talen naar boven met complexer grammaticale structuren en een zuiverder woordenschat. Juist zoals taalbouwers zich in de renaissance gingen spiegelen aan de zuiverheid der klassieke talen gaven deze wetenschappelijke bevindingen aanleiding tot een verering van oudere stadia van de eigen taal. Veel taalgeleerden gingen bijvoorbeeld de moderne Germaanse talen toetsen aan de vermeende ongereptheid van het Gotisch, het Oudnoors of het Angelsaksisch. Ze kwamen ook vaak tot de vaststelling dat de talen erop achteruit waren gegaan sedert die oudere taalstadia.
Ook de beschrijvende taalkunde uit de eerste helft van de 20e eeuw had maar weinig lof voor taalpurisme. Linguïsten van deze strekking hadden vrijwel alleen oog voor het synchrone aspect van de taalkunde. Historisch taalonderzoek moest plaats ruimen voor een meer atomistische visie op het begrip taal; etymologie werd gebagatelliseerd en het foneem trad op de voorgrond als het belangrijkste voorwerp van onderzoek.
Er werd bovendien getracht het beeld van de traditionele taalfamilies onderuit te halen. Geleerden deden onderzoek naar typologische overeenkomstpunten tussen talen van verschillende families. Omdat taalkundige verwantschap en etymologie een van de voornaamste pijlers zijn waarop taalpurisme steunt, werd het streven naar taalzuivering door de beschrijvende taalkunde als het ware van zijn bestaansreden beroofd.
Overigens bestond ook in de beschrijvende taalkunde grote interesse voor de authenticiteit van de dialecten. De cultivering en standaardisering van taal gold als een struikelblok bij wetenschappelijk onderzoek. Bij de beschrijvende taalkunde ligt dan ook oorzaak voor de weerstand tegen elke vorm van menselijk ingrijpen in taal die ook vandaag nog leeft bij sommige taalkundigen.
Ook de functionele linguïstiek was niet happig op taalpurisme. Taalkundigen van de Praagse school vonden bijvoorbeeld dat puristen in hun streven naar zuiverheid de communicatieve en stilistische functie van leenwoorden miskenden en dat ze door het uitbannen van vreemde invloed standaardtalige variatie ondergroeven en de uitbouw van stijlregisters belemmerden. Zij waren dan ook niet mals voor het Tsjechische taalpurisme.
Niettemin werd door sommige geleerden van deze strekking enige waarde aan taalpurisme toegekend. Bij de standaardisering van talen wordt immers steevast een zeker belang gehecht aan de factor prestige, en zuiverheid is een van de elementen in de cultivering van talen waaraan doorgaans bijzonder veel prestige wordt gekoppeld.
De naoorlogse sociolinguïstiek is ten slotte in zijn poging om taal objectief als een vorm van sociale communicatie te bestuderen het onderzoek naar taalpurisme zeer van dienst geweest; taalgeleerden van deze strekking hebben immers als eerste de discussie geopend voor een objectieve studie van taalpurisme. Bovendien gewon taalzuivering onder de sociolinguïstiek erkenning als een waardevol aspect van zinvol taalbeleid.
Bij de studie van taalpurisme is allereerst een opdeling noodzakelijk van dit verschijnsel in verschillende categorieën. Er zijn drie manieren om taalpurisme te classificeren; men kan een onderscheid maken op basis van het talige doelwit en het beoogde doel van de taalzuiveraars. Deze twee manieren van onderverdelen zijn gebaseerd op een theorie van de Tsjechische taalkundige Oldřich Ševčík. Daarnaast heeft de Canadese taalgeleerde George Thomas nog een andere invalshoek gevonden om taalpurisme in te delen; hij classificeert taalzuivering namelijk naargelang van de methode gebruikt door de puristen.
Als men taalzuivering gaat opdelen naargelang van het talige doelwit van de puristen zijn er volgens de theorie van Ševčík zes verschillende strekkingen.
Als men taalpurisme gaat opdelen naargelang van het streefdoel van de taalzuiveraars zijn er volgens de theorie van Ševčík vier verschillende strekkingen.
Thomas heeft nog een derde manier bedacht om taalpurisme onder te verdelen. Bij hem is de methode gebruikt door taalzuiveraars een doorslaggevende factor bij de classificatie van verschillende soorten taalpurisme. Op basis van deze factor maakt Thomas een onderscheid tussen zeven vormen van taalzuivering.

Alle talen hebben een eigen specifieke houding tegenover taalpurisme. Bepaalde talen staan open voor alle mogelijke vormen van vreemde invloed, terwijl sommige andere talen dan weer krampachtig blijven vasthouden aan hun erfwoordenschat. Thomas onderscheidt in de talen van de wereld zeven mogelijke intensiteitsniveaus.