Een tejp (Russisch: тейп; vaak vertaald als 'clan') of tajp (Ingoesj-Tsjetsjeens: тайп) is een Tsjetsjeens-Ingoesjetische stam-organisatie bestaande uit stamgemeenschappen die een gemeenschappelijke zelf-identificatie delen door de afstamming van een gemeenschappelijke voorvader. Het is een subeenheid van de Tsjetsjeense toekchoem en de Ingoesjische shajar. Er zijn ongeveer 150 Tsjetsjeense en 120 Ingoesjetische tejps. Tejps speelden vóór en tijdens de middeleeuwen een belangrijke rol in het sociaal-economische leven van de Tsjetsjenen en Ingoesjen en vormen nog steeds een belangrijk onderdeel van hun culturen.
De tejps hebben een Raad voor alle tejps genaamd Mechk-Kchel (Мехк-Кхел), die vroeger de kronieken bewaarde die geheim waren voor buitenstaanders en geschreven waren in het Arabisch. Tijdens de verbanning van de Ingoesjen en Tsjetsjenen naar Centraal-Azië in 1944, werden veel van deze geschriften vernietigd door sovjet-bestuurders.
Tejps waren vroeger van groot belang voor de samenleving van de Tsjetsjenen en Ingoesjen en zijn dit vaak nog steeds op een groot aantal punten. Hieronder staan een aantal eigenschappen, rechten en plichten die specifiek voor elke clan golden¹.
¹ Mamakaev, M. A. (1973), Chechenskii taip (rod) v period ego razlozheniia, Grozny: Izd-vo Ch-I Gos. Universiteit.
Van teips, als onderverdelingen van toekchoems, wordt traditioneel aangenomen dat de leden afstammen van een gemeenschappelijke voorouder en daardoor verre bloedverwanten zijn. Tejpnamen zijn vaak afgeleid van de naam van een stichter die als voorouder wordt beschouwd. Net als bij veel andere volkeren van de Noordelijke Kaukasus werd van Tsjetsjeense en Ingoesjische mannen traditioneel verwacht dat zij de namen en herkomstplaatsen kenden van hun voorouders aan vaderszijde, tot vele generaties terug. Zeven generaties vormden daarbij de meest gebruikelijke grens. Ook veel vrouwen memoriseerden deze informatie, en bijzonder toegewijde personen konden vaak hun afstammingslijnen aan moederszijde opnoemen. Het memoriseren van deze informatie helpt de loyaliteit aan de clan bij jongere generaties te versterken. Onder de volkeren van de Kaukasus werden omvangrijke landgeschillen soms traditioneel opgelost aan de hand van de gedeelde kennis over waar en wanneer voorouders hadden gewoond.
Voor een teip werd het land van de voorouders als heilig beschouwd vanwege de nauwe band met de identiteit van de tejp. Het werd doorgaans gemarkeerd door symbolen van de clan, waaronder de begraafplaats, de toren en het heiligdom van de clan. Vanwege het gebrek aan land in het bergachtige Ingoesjetië en Tsjetsjenië eiste elke tejp, nadat het feodale stelsel was omvergeworpen, een specifiek gebied op. De grenzen van het land werden gemarkeerd met stenen met specifieke tekens die verwezen naar een plaatselijke gebeds- of heiligdomplaats. Aanvankelijk was het land gemeenschappelijk bezit, maar uiteindelijk werd individuele bewerking de norm. Volgens de oude Tsjetsjeense en Ingoesjische traditie mochten vrouwen land bezitten. De felle oppositie van de Ingoesjen en Tsjetsjenen tegen de Sovjet-collectivisatie wordt toegeschreven aan de bedreiging die deze vormde voor de traditionele gebruiken rond de verdeling van land.
De onvolledige lijst hieronder geeft per tejp aan onder welke toekchoem of sjahar deze valt, een korte omschrijving en indien bekend.
Onderstaande lijst bevat enkele voorbeelden van teips die tot de verschillende toekchoems behoren:
Bij de Ingoesjen vormde een sjahar de overkoepelende politieke en administratieve eenheid in het middeleeuwse Ingoesjetië. Zo'n sjahar bestond uit meerdere tejps die in hetzelfde geografische gebied woonden, vaak rondom een specifieke bergkloof.
Onderstaande lijst bevat enkele voorbeelden van tejps die tot de verschillende sjahars behoren: