| Thomas Becket | ||||
|---|---|---|---|---|
| Aartsbisschop van Canterbury | ||||
Tekening Thomas Becket, 1921 | ||||
| Geboren | 21 december 1118 te Londen, Koninkrijk Engeland | |||
| Gestorven | 29 december 1170 te Canterbury, Engeland | |||
| Wijze van overlijden | levensberoving | |||
| Verering | Katholieke Kerk, Anglicaanse Kerk | |||
| Heiligverklaring | 21 februari 1173 door Paus Alexander III | |||
| Schrijn | Kathedraal van Canterbury | |||
| Naamdag | 29 december | |||
| Attributen | Zwaard, pontificalia, martelaarschap | |||
| Beschermheilige voor | Exeter College, Oxford; Portsmouth; Arbroath Abbey; seculiere geestelijkheid; Londen | |||
| Beroep | theoloog, rechter, katholiek priester, katholiek bisschop, aartsbisschop, politicus | |||
| Ambt | Roman Catholic Archbishop of Canterbury, Lord Chancellor | |||
| Eigenaar van | The Fermo chasuble of St. Thomas Becket | |||
| Afbeeldingen | ||||
| Lijst van christelijke heiligen | ||||
| ||||
Thomas Becket (ook soms Thomas à Becket genoemd) (Londen, 21 december 1118 (ongeveer) – Canterbury, 29 december 1170), aartsbisschop van Canterbury, was een Engelse katholieke geestelijke van Normandische afkomst.
Hij was de zoon van een in Londen gevestigde Normandische koopman Gilbert Beket en zijn echtgenote Matilda. Hij studeerde theologie in Parijs en bezocht de steden Bologna en Auxerre, die bekend stonden om hun onderwijs in de rechten. Toen hij terugkeerde in Londen had zijn vader het tot schepen gebracht. Diens woning werd het drukbezochte middelpunt van de jeunesse dorée, maar na zijn moeders overlijden raakte zijn vader aan lager wal. Door zijn vele relaties wist Becket in 1143 een baan te krijgen aan het hof van aartsbisschop Theobald van Canterbury. Hij werd in 1154 aartsdiaken van Canterbury, raadsman van aartsbisschop Theobald en een gefortuneerd man.
In 1155 werd hij op voorspraak van Theobald in plaats van Willem van Vere kanselier van de vijftien jaar jongere koning Hendrik II van Engeland. Gedurende deze periode ontwikkelde er zich een hechte vriendschap tussen Becket en de koning. Becket was zijn meest vertrouwde raadsman. De koning stelde Becket in staat om er een eigen residentie op na te houden, met alle pracht en praal. De grote invloed die Becket op haar man had, beviel koningin Eleonora van Aquitanië niet. Beckets huis in Londen werd het meest favoriete ontmoetingscentrum voor de aankomende burgerlijke en adellijke elite.
Becket besteedde veel aandacht aan het herstel van de openbare rechtspleging, dat na de regering van koning Steven in verval was geraakt. Op een gegeven moment nam koning Hendrik II pas een besluit na overleg met zijn kanselier. Koningin Eleonora regelde het zo dat ze over een inkomen kon beschikken dat van niemand afhankelijk was en stelde voor het innen, controleren en beheren een eigen kanselier-schatbewaarder aan.
In juni 1158 regelde Becket de verloving van de drie-jarige kroonprins Hendrik de Jonge en het zes maanden oude prinsesje Margaretha van Frankrijk, de dochter van Lodewijk VII.
Hendrik II trok in 1159 met een groot leger naar Toulouse om een aanspraak op het graafschap Toulouse af te dwingen namens zijn vrouw, Eleonora van Aquitanië, die meende er erfelijke rechten op te hebben. Het beleg mislukte omdat Lodewijk VII van Frankrijk (formeel Hendriks leenheer voor zijn Franse gebieden) zich binnen de stad Toulouse bevond. Hendrik wilde niet het risico lopen zijn eigen leenheer aan te vallen en trok zich terug. Becket wilde doorgaan en zelfs Lodewijk VII gevangennemen. Dit twistgesprek bracht waarschijnlijk de eerste barst in de samenwerking en vriendschap tussen beide mannen.
In april 1161 stierf aartsbisschop Theobald van Canterbury. Voor koning Hendrik II was dit een kans: door (de hondstrouwe) Becket te benoemen tot aartsbisschop van Canterbury zou Hendrik II naast de staat ook de Kerk geheel onder controle krijgen. Becket werd ook verkozen tot studiebegeleider en opvoeder van kroonprins Hendrik.
Becket werd 3 juni 1162 aartsbisschop van Canterbury, de op een na hoogste positie in het koninkrijk.
Na zijn bisschopswijding leek Becket een totaal ander mens te zijn geworden: hij zwoer wereldse genoegens af en droeg nu plots in een grof wollen pij met er onder een ruw geweven hemd, geselde hij zich regelmatig, verkocht persoonlijke bezittingen en verdeelde de opbrengst onder de armen, at armzalig voedsel, dronk water of een slap aftreksel van hooi en sliep op de harde vloer. Koning en koningin geloofden niet in de geruchten over een goddelijk ingrijpen. Ze vonden hem een opportunist die zich in zijn nieuwe waardigheid populair wilde maken bij het gewone volk. Becket nam ontslag als kanselier.
Hendrik II had zich ernstig in Becket vergist. Volgens Hendrik waren criminele clerici door de kerkelijke rechtbanken onwettig behandeld. De koning vond dat gearresteerde geestelijken niet langer onder de (mildere) kerkrechtspraak mochten berecht worden, maar uitgeleverd dienden te worden aan de ambtenaren van de koning. Tijdens Hendriks regering waren er volgens Willem van Newburgh door clerici meer dan honderd moorden gepleegd. Maar Becket wilde niet dat leken een aanslag konden plegen op het gezag en de vrijheden van de 'onschendbare' Kerk. Dat was in strijd met de wil van God, een bedreiging van de kerkelijke wetten en een aantasting van de eer en het aanzien van de Kerk. De koning liet beslag leggen op Beckets grote landgoederen Berkhampstead en Eye en liet zijn achtjarige zoon Hendrik uit Beckets woning weghalen.
Toen de koning in 1164 in Clarendon Palace de Kerk aan zijn macht onderwierp met de Constituties van Clarendon, verklaarde Becket zich na enige aarzeling akkoord. Kort hierna kwam hij hier op terug. De koning ergerde zich hieraan. Hij zon op een manier om Becket als publiek figuur weg te krijgen en beschuldigde hem van financiële malversaties tijdens zijn kanselierschap.
In oktober 1164 werd hij gedagvaard en moest verschijnen in het kasteel van Northampton, waar Hendrik toen met zijn hof verbleef. Becket was eerder niet verschenen bij een zaak, die tegen hem was aangespannen door baron Johan Marshall. Marshall voelde zich onrechtvaardig behandeld door Beckets kerkelijke rechtbank. Becket wist alle punten van de koninklijke aanklacht te weerleggen en beriep zich op de paus: enkel de paus kon rechtspreken over een aartsbisschop. De bisschoppen, die in de koninklijke raad zetelden, wilden zich ook tot de paus wenden en hem informeren over Beckets gedrag en hem wegens verregaande incompetentie uit zijn functie laten ontheffen.
Becket vluchtte naar het vasteland, waar hij 2 november 1164 aankwam in de Abdij van Sint-Bertinus. Daarna reisde hij naar Sens, waar de paus verbleef. Op weg naar Sens ontmoette hij de Franse koning Lodewijk VII, die hem hartelijk ontving, hem ruim voorzag van alles wat hij nodig had en hem een vrijgeleide bood om te kunnen reizen door zijn gebieden. Officieel viel Becket nu onder de bescherming van de Franse koning. Een gezantschap van bisschoppen en baronnen, die deel hadden uitgemaakt van het rechtscollege van Hendrik, reisde naar de Franse koning in Compiègne en naar de paus in Sens, maar zijn missie werd een grote mislukking. Het gezantschap werd volledig afgescheept. Becket verbleef daarop in de abdij van Pontigny en kreeg inderdaad ook de steun van paus Alexander III. Deze kon echter geen werkelijke steun verlenen, aangezien hij zelf in een moeilijke positie verkeerde wegens onmin met de Duitse keizer Frederik Barbarossa en de tegenpaus Paschalis III. Abt Guarinus van Gallardon stuurde Becket weg uit de abdij. Toen Hendrik met kerst hoorde van Beckets ontmoetingen barstte hij in woede uit, trok zijn kleren aan flarden, verscheurde een matras en begon als een waanzinnige op het stro te kauwen. Daarna verbande hij ongeveer 400 familieleden van Becket en confisqueerde de bezittingen van het aartsbisdom Canterbury.
Koning Hendrik II hoopte dat paus Alexander III en koning Lodewijk VII hun steun aan Becket zouden intrekken, als hij de Duitse keizer Frederik I Barbarossa, een machtige tegenstander van de paus, als bondgenoot kreeg. In februari 1165 ontmoette hij de Keulse aartsbisschop Reinald van Dassel, de afgezant van de Duitse keizer. Er werd een verbond gesloten en plannen voor twee huwelijken gemaakt. Na de geboorte van zijn troonopvolger, Filips August, leek de Franse koning zich krachtiger op het politieke toneel te profileren. Steeds duidelijker had hij de hand in het stoken van onrust in Hendriks gebieden. Zo ontdekte Hendrik dat Lodewijk geheime contacten onderhield met een kliek baronnen in Aquitanië, die voortdurend rebelleerden. In 1167 trad Hendrik hard op in zijn Franse gebieden. Vijanden vonden steun aan het Franse hof. Becket bestookte ondertussen vanuit de abdij van Pontigny koninklijke kanselarijen, bisschoppelijke paleizen, abdijen en de Romeinse Curie met correspondentie. Hij vroeg begrip, sympathie en steun voor zijn standpunt en vroeg om een scherpe veroordeling van dat van Hendrik. De paus arrangeerde een ontmoeting tussen koning en aartsbisschop in januari 1169 in Montmirail. Ze ontvingen elkaar hoffelijk, maar konden de strijdbijl niet begraven. Hendrik vreesde een excommunicatie en deed zijn best tot een vergelijk te komen. Een volgende ontmoeting was in Montmartre. Hendrik weigerde Becket de vredeskus te geven.
In 1170 nam paus Alexander wel stappen, toen de koning zijn 12-jarige zoon Hendrik de Jongere 14 juni 1170 in de Sint-Pauluskathedraal te Londen liet kronen door de aartsbisschop van York, en niet door Thomas, de aartsbisschop van Canterbury. Om te voorkomen dat een kerkelijk interdict over Engeland zou worden uitgesproken, haastte Hendrik zich naar het vasteland. Hij verontschuldigde zich bij de Franse koning, omdat zijn dochter Margaretha, de gemalin van de gekroonde Hendrik de Jongere, niet bij de ceremonie aanwezig was geweest. Er zou een tweede kroning volgen, mét Margaretha en mét Becket. Er volgde een ontmoeting tussen Becket en Hendrik in Fréteval. Becket zou zijn bezittingen terugkrijgen én de zetel van het aartsbisdom van Canterbury. De paus dwong Hendrik tot een compromis met Becket, die daarop in oktober 1170 kon terugkeren naar Engeland.
Hij landde 1 december 1170 na een afwezigheid van zes jaar. Hij wilde zijn voormalige pupil Hendrik de Jongere in Winchester ontmoeten, maar een bode van de jonge koning hield hem tegen en deelde hem mee terug te keren naar Canterbury, hoogstwaarschijnlijk in opdracht van zijn vader. Becket had pauselijke banvloekbrieven meegekregen om prelaten te excommuniceren die een rol hadden gespeeld bij de 'onwettige' kroning van Hendrik de Jongere. Toen Hendrik daarvan hoorde tijdens de kersthofdagen in zijn kasteel te Bures werd hij razend. Vier Normandische ridders vatten een verzuchting van de koning over Becket letterlijk op en vermoordden met zwaarden op 29 december 1170 Thomas Becket in de kathedraal van Canterbury, kort na de Vespers. Een door Hendrik II gestuurde ijlbode arriveerde te laat. Hendrik II was erg aangedaan door de gebeurtenis: hij vreesde voor excommunicatie en politieke gevolgen.
Hendrik werd in Avranches door twee kardinalen ondervraagd en bezwoer geen opdracht gegeven te hebben voor de moordaanslag en niet naar Beckets dood te hebben verlangd. Hij wilde elke straf accepteren, die hem zou worden opgelegd. Hendrik II liet zich als boetedoening 21 mei 1171 publiekelijk vernederen: in de crypte van de Sint-Andreaskathedraal werd hij door vier monniken op zijn blote rug gegeseld onder het toeziend oog van bisschoppen, abten, hoge edelen én zijn zoon Hendrik. De koning eindigde zijn openbare boetedoening door plechtig te beloven de Kerk van Canterbury in haar oude waardigheid te herstellen, ruime aalmoezen aan de armen te geven, 200 ridders Jeruzalem te laten verdedigen en dat de kerkelijke privileges onaangetast zouden blijven. Het leek alsnog op een totale overwinning van Becket. De boetedoening wordt beschreven door Roger van Hoveden in zijn Chronica. Ook in Historia Rerum Anglicarum van Willem van Newburgh vinden we een verslag hiervan.
Becket viel onmiddellijk algemene verering ten deel als martelaar voor de vrijheden van de Kerk. Op Aswoensdag 21 februari 1173 werd hij door de paus Alexander III heilig verklaard.
De schrijn van Becket werd op 7 juli 1220 in aanwezigheid van de koning overgebracht naar Trinity Chapel in de kathedraal van Canterbury. Het graf werd daar een van de drukst bezochte bedevaartsoorden, tot Hendrik VIII het schrijn in 1538 liet vernietigen. De kerkelijke feestdag van Thomas Becket is 29 december.
Becket werd in 1220 herbegraven in een gouden schrijn in Canterbury Cathedral. Toen Hendrik VIII in 1538 de verering van Becket verbood, werd het schrijn vernietigd. Wat er precies met de overgebleven beenderen gebeurde, is niet bekend; historici gaan ervan uit dat een deel vernietigd werd, terwijl kleine fragmenten eerder al over Europa waren verspreid als relieken.
Er zijn een vijftigtal reliekschrijnen bekend van het type dat te zien is in het Museum Catharijneconvent. Deze komen allen uit de Limousin-werkplaatsen waar ze vervaardigd werden tussen 1195 en 1220. Ze zijn 11 à 21 cm lang en 10 tot 18 cm hoog. Ze zijn gemaakt van eikenhout, met aan de binnenkant een coating, staan op 4 pootjes en hebben een zadeldak; dit alles naar gelijkenis met de eerste primitieve christelijke sarcofagen. De buitenzijde is bedekt met geëmailleerde koperen platen volgens de champlevé-techniek, vaak ingelegd met waardevolle stenen. Velen hebben een 'kroon' op de nok. Op de panelen staan diverse taferelen afgebeeld: de moord, de begrafenis, de tenhemelopneming, ... Op de zijkanten vindt men apostelen of heiligen, terwijl de achterzijde vaak gedecoreerd is met allerlei motieven.
Van dit vijftigtal beschouwen kunsthistorici de volgende stukken als de topstukken: