Túath (mv. túatha), letterlijk "volk", is de Oudierse term dat verwijst naar de politieke basiseenheid van de Ierse samenleving van voor de Engelse overheersing van Ierland. Het werd gebruikt voor zowel een geografische afbakening als voor het volk dat er op woonde. Een túath werd geregeerd door een koning (rí túaithe of rí benn) en is niet te verwarren met een clan, of fine; dat zijn familiale groepen met een verwantschap tot in de derde graad. Een túath kan echter met enige voorzichtigheid als een stam worden voorgesteld. Het is te veronderstellen dat er tussen de 5e en 12e eeuw op geen enkel gegeven moment minder dan 150 túatha waren. De gemiddelde túath bestond waarschijnlijk uit zo'n 6000 tot 9000 personen.
De koning van een túath werd de "rí túaithe" genoemd. Een poëtischere naam is te vinden in de 8e-eeuwse Críth Gablach: "rí benn", letterlijk "koning der hoornen". De rí túaithe kwam altijd uit dezelfde fine, alhoewel het hierbij zinniger is om te spreken over de derbfine. Dit is een hechtere familiale groep dat uit verwantschappen van de eerste graad bestaat en uitstrekt tot en met de vierde generatie. Het is vooral hieruit dat de kandidaten voor het koningschap (de rígdamnai) kwamen. In essentie zijn dat dus allen wiens overgrootvader een koning was. De opvolger van de koning was niet noodzakelijk de oudste zoon of oudste stamvader; hierbij was het volgende maxime van belang: "Sinsior la fine, feabhta la flaith, eagna la heaglais", "Een ouderling voor de clan, waardigheid voor de heerschappij, wijsheid voor de kerk." Dat wil zeggen dat de opvolger van de koning meestal de machtigste persoon uit de derbfine was. Deze macht was deels gezeten in het aantal cliënten (céle), vrij of onvrij, dat een heer (flaith) had. In theorie werd hij verkozen, alhoewel het meestal onmiddellijk duidelijk was wie de machtigste was, soms zelfs voor het overlijden van de vorige koning. In zulke gevallen kon de opvolger al dan verkozen worden. Hierbij wordt hij dan de tánaise genoemd, letterlijk "tweede" of "verwachte". Het is daarom dat dit systeem tanistrie, of tánaisteacht, genoemd wordt.

Zowel elke koning was oftewel vazal van een andere koning of had zelf andere koningen als vazallen. Er waren dus geen "geïsoleerde", volledig onafhankelijke túatha. Koningen dat heersers waren van meerdere túatha werden rí túath genoemd, letterlijk "koning van meerdere túatha". Alternatieve namen zijn rui rí (grote koning), rí ríg (koning der koningen) en het poëtische rí buiden (koning der benden).
Deze "confederaties" van 3 à 4 túatha, soms ook 7, werden mór-thúatha, "grote túatha", genoemd. De Ierse diocesane provincies die werden opgericht in de 12e eeuw waren geografisch grotendeels gebaseerd op de toenmalige mór-thúatha, die de gewone túatha tegen die tijd op vlak van politieke macht grotendeels verdrongen hadden. In de Oudierse periode (6e–10e eeuw) bleef de werkelijke macht echter lokaal. De rui rí, en zelfs de rí ruirech (zie hieronder), had zelden autoriteit buiten zijn eigen túath. Van een rí túaithe werd hoogstens verwacht om tribuut aan zijn suzerein te leveren en mee te vechten in zijn oorlogen, maar verder was hij soeverein.

Iedere koning was vazal van een rí cóicid, oftewel zelf, oftewel via een rui rí. De rí cóicid was koning van een van de cóiceda, letterlijk "vijfden". Deze zijn de traditionele "provincies" waarin Ierland sinds oudsher werd ingedeeld. Ondanks de naam was het aantal en welke provincies dit precies waren vrij fluïde doorheen de geschiedenis van Ierland. Oorspronkelijk waren het hoogstwaarschijnlijk Ulaid, Laigin, Mumu, Connachta en Mide. Met Mide als uitzondering vallen deze grotendeels samen met de hedendaagse traditionele verdeling van het eiland in vier provincies. De alternatieve benamingen van de rí cóicid was triath, réthe, ollam ríg ( alle drie beteken "grootste der koningen"), rí ruirech (koning der koningen) en het poëtische rí bunaid cach cinn (de opperste koning van ieder mens).
Binnen de cóiceda, de túatha die geregeerd werden door koningen van dezelfde dynastie als de rí cóicid betaalden geen tribuut aan hem. Deze túatha werden dan de sáer-thúatha genoemd, in tegenstelling tot de tribuut-betalende dáer-thúatha.