Tweede Fitna

Tweede Fitna
Gebiedsverdeling omstreeks 686
Gebiedsverdeling omstreeks 686
Datum 680 – 692
Locatie Hidjaz, Sjaam, Irak, Egypte en Oost-Arabië
Resultaat Omajjadische overwinning; verzet van de Zoebairiden en aanhangers van Ali neergeslagen; de Marwaniden volgen de Soefjaniden op als regerend huis
Casus belli Dood van kalief Moe'awija I (680) en de opvolging door zijn zoon Yazid I
Strijdende partijen
Omajjaden (eerst Soefjaniden, vanaf 684 Marwaniden) Aanhangers van Abd Allah ibn al-Zoebair (Zoebairiden) Hoessein ibn Ali, de Tawwabun en al-Moektar
Leiders en commandanten
Yazid I
Moeslim ibn Oqba
Oebaid Allah ibn Ziad †
Marwan I
Abd al-Malik
al-Hadjdjadj
Abd Allah ibn al-Zoebair †
Moesab ibn al-Zoebair †
Hoessein ibn Ali †
Soelaiman ibn Soerad †
al-Moektar †

De Tweede Fitna was een periode van burgeroorlog binnen het Omajjaden-kalifaat. Ze begon met de dood van de eerste Omajjadische kalief, Moe'awija I, in april 680 en duurde ongeveer twaalf jaar. Het conflict draaide om de vraag wie het kalifaat mocht leiden: de Omajjaden, die de opvolging in de familie hielden, of rivalen die op grond van afstamming of een raadpleging (sjoera) aanspraak maakten. Het werd beëindigd met de dood van Abd Allah ibn al-Zoebair in 692, waarna de Hidjaz onder Omajjadisch gezag kwam. Het woord fitna betekent in de Koran "beproeving" of "verleiding" en kreeg later de betekenis van burgeroorlog of opstand.

Achtergrond

In 676 maakte Moe'awija bekend dat zijn zoon Yazid hem zou opvolgen. De overlevering vertelt dat hij hiervoor in Damascus een raadpleging hield en steun won met vleierij, giften en dreigementen. Wellhausen en later Marsham betwijfelen dat verhaal. Volgens Lewis waren er geen andere precedenten dan verkiezing en burgeroorlog. Een erfopvolging werd door critici gezien als de verandering van het kalifaat in een monarchie.

In de Hidjaz hadden meerdere mannen een eigen aanspraak: Hoessein ibn Ali, Abd Allah ibn al-Zoebair, Abd Allah ibn Oemar en Abd al-Rahman ibn Aboe Bakr. Volgens Wellhausen werden zij door dreigementen en door de algemene erkenning van Yazid tot zwijgen gebracht. Ibn Oemar en Abd al-Rahman zwoeren Yazid later alsnog trouw. Daarnaast was er in Medina onvrede over het Omajjadische bewind, bijvoorbeeld over landbouwprojecten waarbij land werd onteigend voor inkomsten. In Sjaam waren er spanningen tussen de stammen: de Qays steunden Ibn al-Zoebair uit verzet tegen de overheersing van de Kalb onder de Soefjaniden.

Verloop

Yazid I en Karbala (680)

Moe'awija overleed in april 680 en Yazid volgde hem op. Yazid droeg de gouverneur van Medina op om trouw af te nemen van Hoessein en Ibn al-Zoebair, die beiden naar Mekka vertrokken. Hoessein werd op weg naar Koefa onderschept en op 10 oktober 680 bij Karbala gedood, samen met ongeveer zeventig mannelijke volgelingen. Oebaid Allah ibn Ziad, Yazids gouverneur in Koefa, had troepen laten posteren op de wegen en liet later bijna 4000 man naar Hoessein sturen. De gebeurtenissen van 680 worden als het begin van de Tweede Fitna gezien.

Hidjaz: al-Harra en het beleg van Mekka (683)

Ibn al-Zoebair nam in Mekka in het geheim trouw aan, terwijl hij in het openbaar alleen een sjoera bepleitte. De inwoners van Medina, onder leiding van Abd Allah ibn Handhala, zegden Yazid de trouw op en verdreven de Omajjaden. In augustus 683 versloeg een Omajjadisch leger onder Moeslim ibn Oqba hen bij al-Harra; de stad werd drie dagen geplunderd. In september 683 belegerde Hoesain ibn Noemair Mekka, waarbij de Kaäba in brand raakte. Yazid overleed op 11 november 683 en het beleg werd opgeheven. Ibn al-Zoebair werd daarna in de Hidjaz als kalief erkend. Hij sloot zich eerst aan bij de kharidjieten maar brak met hen omdat hij hun leer afwees dat alleen de vroomste kalief kon zijn.

Sjaam: Mardj Rahit (684)

Yazids zoon Moe'awija II werd kalief, maar regeerde slechts enkele weken en had alleen gezag in het centrale en zuidelijke deel van Sjaam. In juni 684 werd Marwan I door pro-Omajjadische stammen in Jabiya tot kalief uitgeroepen. In augustus 684 versloeg hij bij Mardj Rahit de aanhangers van Ibn al-Zoebair onder Dahhak ibn Qays. Marwan en zijn zoon Abd al-Aziz verdreven daarna met steun van lokale stammen de gouverneur van Ibn al-Zoebair uit Egypte, dat na Yazids dood de kant van Ibn al-Zoebair had gekozen. Marwan overleed in april 685 en werd opgevolgd door Abd al-Malik.

Irak: de Tawwabun en al-Moektar (684–687)

In Koefa vormden aanhangers van Ali, onder leiding van Soelaiman ibn Soerad, de Tawwabun ("de boetvaardigen"), die hun nalatigheid tegenover Hoessein wilden goedmaken. Zij hadden volgens Sharon geen politiek programma en wilden vooral de Omajjaden straffen of sterven. Van de 16.000 ingeschrevenen trokken er ongeveer 4000 in november 684 uit. In januari 685 werden zij bij Ayn al-Warda in de Jazira in een driedaagse strijd verslagen door een Omajjadisch leger onder Oebaid Allah ibn Ziad; Ibn Soerad sneuvelde.

Al-Moektar had een georganiseerde beweging bepleit, maar kon de volgelingen niet overtuigen. In oktober 685 nam hij Koefa in van de gouverneur van Ibn al-Zoebair. Hij mobiliseerde ook niet-Arabische bekeerlingen (mawali); zijn aanhangers werden later bekend als Kaysaniten. Zijn troepen versloegen de Omajjaden in augustus 686 bij Khazir, waar Oebaid Allah ibn Ziad sneuvelde. In april 687 werd Moektar gedood tijdens een uitval uit Koefa, dat door Moesab ibn al-Zoebair werd belegerd.

Kharidjieten

Rond 684 splitsten de kharidjieten van Basra zich over de vraag of het gerechtvaardigd was om andere moslims te doden. De gematigde Najdat stonden onder Najda ibn Amir; de extremere Azariqa onder Nafi ibn al-Azraq, die ook het doden van vrouwen en kinderen van tegenstanders toestond. De Azariqa vielen vanuit Ahwaz Fars en Kirman binnen en veroverden die in 685 op de Zoebairiden. Najda kreeg volgelingen in Oost- en Midden-Arabië en bereikte Bahrein, Oman en delen van Jemen. Hij riep zich rond 687 uit tot kalief, veroverde in 688 Jemen en Hadramaut en bezette in 689 Ta'if. Rond 691 werd hij vermoord. De Azariqa bleven na 692 actief en werden pas rond 696–699 onderdrukt. Onder de Najdat ontstond later het ibadisme in Oman en van hieruit de Mozabieten in Algerije.

Nawasib

Nawasib (enkelvoud nasibi) is de term voor mensen van wie wordt gezegd dat zij vijandschap koesterden jegens Ali ibn Aboe Talib en zijn huis. Onder sjiieten kan het woord ook een soennitische tegenstander van het sjiisme aanduiden. De term wordt in de bronnen vaak polemisch gebruikt: veel beschrijvingen noemen het woord zelf niet, maar het label wordt afgeleid uit gedrag. De bronnen zijn bovendien partijdig.

In de sjiitische en Abbasidische overlevering gelden de Omajjaden als toonbeeld van deze vijandschap. Genoemd worden de oorlog tegen Ali en zijn zonen, de slachting bij Karbala en het rituele vervloeken van Ali tijdens de vrijdagpreek. Volgens Madelung liet Moe'awija Ali in Koefa door zijn gouverneur al-Moegira ibn Sjoe'ba regelmatig vervloeken. Toen Hoedjr ibn Adi daar tegen protesteerde, werd hij door Moe'awija geëxecuteerd. Het vervloeken zou ruim zestig jaar hebben geduurd en werd volgens de overlevering door Oemar II (717–720) beëindigd. Over de omvang en het doel van die praktijk verschillen historici: Jafri ziet haar als propaganda, terwijl Wellhausen de zijde van Moe'awija en zijn gouverneur Ziyad koos.

Einde van de oorlog (691–692)

Abd al-Malik won de steun van veel Zoebairidische aanhangers. In oktober 691 weigerde het grootste deel van het leger van Moesab bij Maskin te vechten; Moesab sloeg Abd al-Maliks aanbod tot overgave af en sneuvelde. Daarna veroverde Abd al-Malik Irak. Zijn generaal al-Hadjdjadj ibn Joesoef belegerde Mekka vanaf maart 692 zes à zeven maanden. Ibn al-Zoebair sneuvelde in de herfst van 692 (de bronnen geven uiteenlopende maanden); de Hidjaz kwam daarna onder Omajjadisch gezag.

Tijdlijn

JaarGebeurtenis
676Moe'awija maakt Yazid bekend als zijn opvolger
april 680Dood van Moe'awija; Yazid I wordt kalief
10 oktober 680Hoessein ibn Ali sneuvelt bij Karbala
augustus 683Slag bij al-Harra; Medina geplunderd
sept.–nov. 683Beleg van Mekka; Yazid overlijdt op 11 november
juni–aug. 684Marwan I uitgeroepen te Jabiya; overwinning bij Mardj Rahit
januari 685Tawwabun verslagen bij Ayn al-Warda
april 685Dood van Marwan; Abd al-Malik wordt kalief
oktober 685Al-Moektar neemt Koefa in
augustus 686Slag bij Khazir; Oebaid Allah ibn Ziad sneuvelt
april 687Al-Moektar gedood
oktober 691Slag bij Maskin; Moesab sneuvelt
maart–herfst 692Beleg van Mekka; dood van Ibn al-Zoebair

Gevolgen

Na de oorlog zag Abd al-Malik het gedecentraliseerde bestuur van Moe'awija als moeilijk houdbaar en streefde hij naar centralisatie. Een professioneel Syrisch leger handhaafde het gezag in de provincies, en gouverneurs moesten overtollige inkomsten naar de hoofdstad doorsturen. Abd al-Malik en zijn nakomelingen regeerden nog 58 jaar, tot de omwenteling van de Abbasiden in 750. Rond 700 werd het Arabisch de taal van het ambtelijk bestuur, en de Byzantijnse en Sasanidische munten werden vervangen door een islamitische munt. Permanente uitkeringen aan deelnemers van de vroege veroveringen werden vervangen door vaste salarissen voor actieve militairen.

De rivaliteit tussen Qays en Yaman die na Mardj Rahit ontstond, droeg bij aan de Derde Fitna en daarmee aan de val van de Omajjaden. Voor de religieuze geschiedenis was Karbala belangrijk: volgens Halm en Daftary droeg het bij aan de definitieve scheiding tussen sjiieten en soennieten en veranderde het sjiisme van een politieke houding in een religieus verschijnsel. Sjiieten herdenken Karbala jaarlijks met Asjoera. Moektar gebruikte de titel mahdi voor Mohammed ibn al-Hanafiyya.

Noten

  1. ↑ Donner (2010), p. 177.
  2. ↑ Donner (2010), p. 188.
  3. ↑ Gardet (1965), p. 930.
  4. ↑ Madelung (1997), p. 322.
  5. ↑ Wellhausen (1927), pp. 141–142; Marsham (2009), p. 91.
  6. ↑ Lewis (2002), p. 67.
  7. ↑ Kennedy (2016), p. 76.
  8. ↑ Wellhausen (1927), pp. 141–145.
  9. ↑ Donner (2010), p. 177.
  10. ↑ Kennedy (2016), pp. 76–77.
  11. ↑ Wellhausen (1927), p. 170.
  12. ↑ Donner (2010), p. 177.
  13. ↑ Howard (1990), pp. 3–7.
  14. ↑ Howard (1990), pp. 5–7; Donner (2010), p. 178.
  15. ↑ Donner (2010), p. 178.
  16. ↑ Hawting (2000), p. 46.
  17. ↑ Wellhausen (1927), pp. 148–150; Kennedy (2016), p. 77.
  18. ↑ Wellhausen (1927), pp. 152–156; Donner (2010), pp. 180–181.
  19. ↑ Hawting (2000), p. 48.
  20. ↑ Hawting (2000), p. 48; Donner (2010), pp. 181–182.
  21. ↑ Hawting (2000), p. 49.
  22. ↑ Wellhausen (1927), pp. 168–169.
  23. ↑ Wellhausen (1927), p. 182; Kennedy (2016), pp. 78–79.
  24. ↑ Kennedy (2016), pp. 78–79.
  25. ↑ Kennedy (2016), p. 80; Donner (2010), pp. 181–182.
  26. ↑ Kennedy (2016), p. 80.
  27. ↑ Wellhausen (1901), pp. 71–72; Sharon (1983), pp. 104–105.
  28. ↑ Wellhausen (1901), p. 73; Wellhausen (1927), pp. 185–186.
  29. ↑ Dixon (1971), p. 37.
  30. ↑ Dixon (1971), p. 45.
  31. ↑ Daftary (1990), pp. 51–52, 59–60.
  32. ↑ Hawting (2000), p. 53; Wellhausen (1927), p. 186.
  33. ↑ Dixon (1971), pp. 73–75; Wellhausen (1901), p. 85.
  34. ↑ Rotter (1982), p. 86; Hawting (1989), p. 104.
  35. ↑ Rotter (1982), p. 84.
  36. ↑ Donner (2010), p. 183.
  37. ↑ Gibb (1960a), p. 55; Hawting (2000), p. 51.
  38. ↑ Hawting (2000), p. 51; Kennedy (2016), p. 85.
  39. ↑ Gibb (1960b), p. 77.
  40. ↑ Husayn (2023), "Nāṣebi", Encyclopaedia Iranica, inleiding.
  41. ↑ Husayn (2023), "Nāṣebi", inleiding en secties over de Omajjaden en de anti-sjiitische polemisten.
  42. ↑ Husayn (2023), "Nāṣebi", sectie over de Omajjaden.
  43. ↑ Madelung (1997), pp. 334–339.
  44. ↑ Madelung (1997), p. 334; Shah-Kazemi (2007), pp. 62–63.
  45. ↑ Jafri (1979), p. 157; Wellhausen (1975), p. 100.
  46. ↑ Dixon (1971), pp. 133–134; Lammens & Pellat (1993), pp. 649–650.
  47. ↑ Kennedy (2016), p. 84.
  48. ↑ Wellhausen (1927), pp. 188–189; Gibb (1960a), p. 54.
  49. ↑ Donner (2010), p. 188.
  50. ↑ Kennedy (2016), pp. 85–86; Hawting (2000), p. 62.
  51. ↑ Kennedy (2016), p. 85.
  52. ↑ Hawting (2000), p. 63; Lewis (2002), p. 78; Gibb (1960b), p. 77.
  53. ↑ Kennedy (2016), p. 89.
  54. ↑ Kennedy (2001), pp. 99–115; Hawting (2000), pp. 54–55.
  55. ↑ Halm (1997), p. 16; Daftary (1990), p. 50.
  56. ↑ Hawting (2000), p. 50.
  57. ↑ Arjomand (2016), p. 34; Madelung (1986), p. 1231.

Literatuur


Details

Er lijkt een gebrek aan een stevige consensus te zijn over het exacte aantal jaren dat het conflict omvat, waarbij historici de Tweede Fitna verschillend dateren. Sommigen zien het einde van Moe'awija's heerschappij in 680 als begin, terwijl de dood van zijn zoon Yazid I in 683 door anderen wordt genomen. Ook het einde wordt verschillend gedateerd van 685 (de troonsbestijging van kalief Abd al-Malik ibn Marwan) tot 692 (de dood van Abd Allah ibn al-Zoebair die zijn opstand beëindigde). De jaartallen 683–685 lijken het vaakst te worden gebruikt.

Toen de eerste Omajjadische kalief Moe'awija I in 680 stierf, werd hij door zijn zoon Yazid I opgevolgd. Yazids eerste tegenstand kwam van de aanhangers van Hoessein ibn Ali, die de kleinzoon was van de profeet Mohammed en de zoon van de vermoorde vierde kalief Ali ibn Aboe Talib. Hoessein en veel van zijn naaste volgelingen werden door Yazids troepen gedood in de Slag bij Karbala. Deze slag wordt vaak genoemd als de definitieve breuk tussen de sjiitische en soennitische stromingen van de islam, en tot op heden wordt deze slag herinnerd door sjiieten tijdens Asjoera.

Na deze gebeurtenissen werd Yazid geconfronteerd met een tweede opstand van Abd Allah ibn al-Zoebair, wiens vader Zoebair ibn al-Awwam een sahabi was geweest en wiens moeder Asma bint Aboe Bakr was. Ibn al-Zoebair zette zich op als tegenkalief in Mekka. Zijn rebellie werd door velen gezien als een poging om de oorspronkelijke waarden van de oemma te herstellen en werd dan ook verwelkomd door verscheidene partijen die om verschillende redenen ontevreden waren met de Omajjadische heerschappij. Na de plotselinge dood van Yazid en zijn zoon Moe'awija II in 683 verkreeg ibn al-Zoebair ruime erkenning als kalief. Hij trachtte snel alle weerstand tegen zijn heerschappij uit de weg te ruimen, waarbij hij een tijdlang enige samenhangende Alidische machtspretenties wist weg te vagen nadat hij in 687 Moektar al-Thaqafi had verslagen. In Syrië werd Marwan ibn Hakim, een neef van Moe'awija I, tot kalief uitgeroepen, maar hij stierf al in 685. Zijn zoon Abd al-Malik bleek echter zeer kundig. Ibn al-Zoebair was geïsoleerd in de streken Tihama en Hidjaz toen kharidjitische rebellen in 684 in Centraal-Arabië een onafhankelijke staat vestigden.

Andere kharidjitische opstanden volgden in Irak en Iran, terwijl sjiieten in Koefa in opstand kwamen om de dood van Hoessein te wreken en een andere zoon van Ali als kandidaat-kalief begonnen te propageren. Uiteindelijk werd de orde hersteld door de Syrische troepen die Abd al-Malik steunden. Hij slaagde erin al zijn verschillende rivalen te verslaan en zijn leger doodde ibn al-Zoebair in het Beleg van Mekka in 692, waarmee deze uitzonderlijk turbulente periode werd afgesloten.

Veldslagen

Zie ook