



Air Force One is de roepnaam die door de luchtverkeersleiding wordt gebruikt voor elk vliegtuig van de Amerikaanse luchtmacht waar de president van de Verenigde Staten in zit.
Sinds 1990 bestaat de presidentiële luchtvloot uit twee gemodificeerde Boeing 747-200-vliegtuigen (door de luchtmacht aangeduid als Boeing VC-25), die alleen Air Force One heten wanneer de president aan boord is, maar door de buitenwacht algemeen zo worden aangeduid.
De VC-25 heeft een grote actieradius en capaciteit voor meer dan 70 passagiers. Voordat de huidige toestellen in gebruik genomen werden, werden (sinds 1962) twee Boeing 707-320B-vliegtuigen gebruikt (luchtmacht: VC-137). Een van deze toestellen wordt nu tentoongesteld in de Ronald Reagan Presidential Library.
Het was de bedoeling dat de huidige Boeings 747-200 in 2024 zouden worden vervangen door twee Boeings 747-8, aangeduid als Boeing VC-25B. De oplevering van de twee vliegtuigen is echter uitgesteld, met vermoedelijke indienstname niet voor 2027 of 2028.
Op 1 juli 2026 werd deze vloot uitgebreid met een aangepaste Boeing 747-8 die als geschenk van de Qatarese regering werd ontvangen (door de luchtmacht aangeduid als de Boeing VC-25B Bridge).
De vliegtuigen worden onderhouden als militaire vliegtuigen door de Presidential Airlift Group, gelegerd op Andrews Air Force Base bij Camp Springs en in Clinton, Maryland. Ook de presidentiële helikopter met roepnaam Marine One is hier gestationeerd.
Als niet de president, maar de vicepresident aan boord is, dan is de roepnaam Air Force Two. Om veiligheidsredenen mogen de president en de vicepresident nooit samen vliegen.