Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
Oprichtingsverdrag van de Europese Unie
Ondertekeningsceremonie van het Verdrag van Lissabon op 13 december 2007, waarbij het EG-verdrag zijn huidige naam kreeg.
Ondertekeningsceremonie van het Verdrag van Lissabon op 13 december 2007, waarbij het EG-verdrag zijn huidige naam kreeg.
Afkorting VWEU
Partijen Lidstaten van de Europese Unie
Oorspronkelijke ondertekening 25 maart 1957, Rome (EEG-verdrag)
Oorspronkelijke inwerkingtreding 1 januari 1958
Huidige naam sinds 1 december 2009
Indeling Zeven delen, artikelen 1–358

Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), ook het Werkingsverdrag genoemd, is een van de oprichtingsverdragen van de Europese Unie. Het regelt haar bevoegdheden, beleidsterreinen en institutionele werking. Samen met het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) vormt het de constitutionele basis van de Unie. Beide verdragen hebben dezelfde juridische waarde.

Geschiedenis

Het VWEU gaat terug op het EEG-verdrag, een van de Verdragen van Rome. Dat werd op 25 maart 1957 ondertekend en trad op 1 januari 1958 in werking. Het vormde de basis voor de Europese Economische Gemeenschap. De Europese Akte, die op 1 juli 1987 in werking trad, hervormde de besluitvorming met het oog op de totstandkoming van de interne markt.

Bij de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht op 1 november 1993 kreeg het EEG-verdrag de naam Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-verdrag). Daarna volgden wijzigingen door het Verdrag van Amsterdam, dat op 1 mei 1999 in werking trad, en het Verdrag van Nice, dat op 1 februari 2003 in werking trad.

Het Verdrag van Lissabon werd op 13 december 2007 ondertekend en trad op 1 december 2009 in werking. Het wijzigde de bestaande verdragen en gaf het EG-verdrag zijn huidige naam. De Unie verving de Europese Gemeenschap en de pijlerstructuur werd afgeschaft. Voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid bleven bijzondere regels gelden.

Plaats binnen het Unierecht

De verdragen behoren tot het primaire Unierecht. EU-wetgeving moet daarmee in overeenstemming zijn. Ook het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon dezelfde rechtskracht als de verdragen. Het Euratom-verdrag blijft als afzonderlijk verdrag van kracht.

Opbouw

Het verdrag is verdeeld in zeven delen. Onderstaande tabel geeft de indeling en de belangrijkste onderwerpen weer.

Indeling van het VWEU
DeelArtikelenOnderwerpen
I — De beginselen1–17Bevoegdheden van de Unie en algemene bepalingen voor haar beleid.
II — Non-discriminatie en burgerschap van de Unie18–25Discriminatieverbod en rechten verbonden aan het EU-burgerschap.
III — Het beleid en intern optreden van de Unie26–197Onder meer interne markt, landbouw, vervoer, mededinging, economisch en monetair beleid, onderzoek, milieu en energie.
IV — De associatie van de landen en gebieden overzee198–204Betrekkingen met de landen en gebieden overzee.
V — Het extern optreden van de Unie205–222Handel, ontwikkelingssamenwerking, humanitaire hulp en internationale overeenkomsten.
VI — Institutionele en financiële bepalingen223–334Instellingen, rechtshandelingen, besluitvorming, begroting en nauwere samenwerking.
VII — Algemene en slotbepalingen335–358Onder meer juridische positie, territoriale toepassing en slotregels.

Bevoegdheden van de Unie

De EU kan slechts optreden binnen de bevoegdheden die de lidstaten haar in de verdragen hebben toegekend. Dit beginsel van bevoegdheidstoedeling staat in artikel 5 VEU. De artikelen 2 tot en met 6 VWEU werken de bevoegdheidsverdeling uit.

Bij een exclusieve bevoegdheid kan alleen de Unie wetgevend optreden; lidstaten kunnen dat doen wanneer de Unie hen daartoe machtigt of voor de uitvoering van Unierecht. Voorbeelden zijn de douane-unie en het monetair beleid voor de eurolanden. Bij gedeelde bevoegdheden kunnen zowel de Unie als de lidstaten optreden, waarbij de lidstaten hun bevoegdheid uitoefenen voor zover de Unie dat niet heeft gedaan. Hieronder vallen onder meer de interne markt, milieu en vervoer.

Daarnaast kent het verdrag bevoegdheden waarmee de Unie het optreden van lidstaten ondersteunt, coördineert of aanvult, bijvoorbeeld bij cultuur en onderwijs. Op deze gebieden mag zij geen harmonisatie van nationale wetgeving voorschrijven. Voor de coördinatie van economisch en werkgelegenheidsbeleid bestaan afzonderlijke bepalingen.

Wetgeving en rechtsbescherming

Artikel 288 VWEU onderscheidt verordeningen, richtlijnen, besluiten, aanbevelingen en adviezen. Een verordening is rechtstreeks toepasselijk; een richtlijn bindt de betrokken lidstaten aan het te bereiken resultaat en moet in beginsel worden omgezet in nationaal recht. Aanbevelingen en adviezen zijn niet bindend.

Bij de gewone wetgevingsprocedure stellen het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk wetgeving vast, doorgaans op voorstel van de Europese Commissie. Welke procedure en stemregels gelden, hangt af van de verdragsbepaling waarop een maatregel berust.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie bewaakt de naleving van het Unierecht. Het kan op grond van artikel 263 VWEU de wettigheid van handelingen van EU-instellingen toetsen. In zijn rechtspraak ontwikkelde het Hof de beginselen van rechtstreekse werking en voorrang van het Unierecht.

Wijziging van artikel 136

Op 25 maart 2011 besloot de Europese Raad een derde lid aan artikel 136 toe te voegen over een stabiliteitsmechanisme voor de eurolanden. De wijziging trad op 1 mei 2013 in werking. Het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) werd ingesteld bij een afzonderlijk verdrag tussen de deelnemende eurolanden.

Werken van of over dit onderwerp zijn te vinden op de pagina Consolidated version of the Treaty on the Functioning of the European Union op de Engelstalige Wikisource.