| Maretak | ||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||||||
| Viscum album L. (1753) | ||||||||||||||||||
| Vruchten | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
Maretak (Viscum album) is een plantensoort uit de sandelhoutfamilie (Santalaceae). De plant leeft op bomen en struiken. Het is een halfparasiet. De soort wordt ook wel gekweekt.
De Nederlandse triviale naam 'maretak' is afgeleid van het Oudgermaanse woord mare (heks, nachtmerrie, nachtelijke kwelgeest of spook). Wanneer men de plant of een tak ervan in de stal ophing zou het het voornoemde kwaad op afstand houden.
Ook wordt de soort vaak vogellijm of mistel genoemd, of met de Engelse naam mistletoe aangeduid. Overige (regionale) triviale namen die in Nederland en Vlaanderen aan de soort worden gegeven zijn boomkruid, duivelsgras, duivelsnest, hamschel, hamspoen, heksennest, holster, hulster, kersterhout, lijmkruid, mattekruid, priemst, raamsch, slangentong en viscus.
Maretak is een groenblijvende struik met een dikwijls sterk vertakte groeiwijze. De plant is onbehaard en heeft leerachtige, tegenoverstaande bladeren.
Maretak is een op levend hout levende halfparasiet die in het hout wortelt van de gastheer, waarvan zij afhankelijk is van water en zouten. De gastheersoort verschilt per ondersoort.
De soort wordt door vogels verspreid. De besachtige vrucht wordt in de oksel van een boomtak genuttigd. Niet verteerbaar kleverig zaad blijft vervolgens plakken en ontkiemt. De wortel er van groeit in de boom.
Onder de insecten zijn de maretakbloemwants en Hypseloecus visci twee bijzondere wantsensoorten die uitsluitend op/van maretak leven.
In de syntaxonomie staat maretak te boek als kensoort voor de naar haar vernoemde maretak-klasse (Viscetea albi). Deze klasse omvat epifytische vegetatie waarin maretak uiterst aspectbepalend optreedt.
Het natuurlijke verspreidingsgebied van maretak strekt zich uit over de gematigde streken van Europa, Azië en Noordwest-Afrika. In Nederland en België is de soort zeldzaam. Uitzonderingen vormen echter het zuiden van Zuid-Limburg, de Voerstreek, de Leemstreek en het zuiden van de Maasvallei, daar is de soort vrij algemeen.
Binnen de soort worden verscheidene ondersoorten onderscheiden. In Nederland en Vlaanderen komt uitsluitend Viscum album subsp. album voor.
Deze ondersoort is bekend uit Centraal-Europa en groeit enkel op zilverspar. De vruchten zijn wit van kleur en de bladeren zijn lang, tot 8 cm.
Dit betreft de meest algemene ondersoort. Het verspreidingsgebied strekt zich uit van Europa, Zuidwest-Azië tot in Nepal. Ze komt vooral voor op populier, wilg, appel en linde.

Deze ondersoort is enkel bekend uit Centraal-Europa en groeit uitsluitend op de naaldbomen van Larix, Pinus en Picea. De vruchten zijn geel.
Deze ondersoort komt voor in Zuidoost-Azië, waar ze groeit op loofbomen, waaronder hoofdzakelijk esdoorn, walnoot, lijsterbes, Carpinus en Prunus.
Dit betreft een zeldzame ondersoort die bekend is uit Kreta. Ze parasiteert op Turkse den. De vruchten zijn wit en de bladlengte is opvallend kort.

