Het vorstendom Hersfeld was een tot de Boven-Rijnse Kreits behorend vorstendom (tot 1648 rijksabdij) binnen het Heilige Roomse Rijk, gelegen bij wat nu Bad Hersfeld is in Hessen. Het wordt ook wel een Fürstabtei genoemd maar het heeft nooit een zetel op de Rijksdag gehad.
Na 769 stichtte aartsbisschop Lullus van Mainz de benedictijnerabdij Haireulsfelt. In 775 werd de abdij door een beschermingsprivilege van Karel de Grote rijksabdij.

In de dertiende eeuw kon de abdij een klein territorium vormen, dat steeds bedreigd werd door de landgraven van Thüringen en na 1247 door hun opvolgers, de landgraven van Hessen. In 1432 stelde de abdij zich onder de bescherming van het landgraafschap Hessen tijdens een heftig conflict met de stad Hersfeld.
Van 1606 tot 1648 werd rijksabdij geadministreerd door leden van het Hessische vorstenhuis.
In 1648 werd Hersfeld geseculariseerd. In artikel 2 van artikel 15 van de vrede van Osnabrück van 1648 werd vastgelegd dat het huis Hessen-Kassel de abdij Hersfeld met alles wat er geestelijk wereldlijke zaken, zowel binnen als buiten het land (bijvoorbeeld de proosdij Gellingen) mocht houden. Hersfeld werd een rijksleen voor Hessen-Kassel. De landgraaf voerde sindsdien de titel vorst van Hersfeld.
Van 1807 tot 1813 maakte het keurvorstendom Hessen-Kassel en dus ook het 'vorstendom' Hersfeld deel uit van het koninkrijk Westfalen. Het Congres van Wenen in 1815 herstelde de oude situatie.