
De Yao, ook Wayao of Yawo, zijn een Bantoevolk uit het gebied rond de zuidpunt van het Malawimeer. Ze wonen in het zuiden van Malawi, in het noorden van Mozambique en in het uiterste zuiden van Tanzania. Bij de volkstelling van 2018 gaven ruim 2,3 miljoen inwoners van Malawi op Yao te zijn, 13,3 procent van de bevolking. Ze spreken het Yao, ook Ciyawo genoemd.
Vanaf de late 16e eeuw brachten Yao-karavanen ivoor van het binnenland naar de kust bij Kilwa, en later ook naar het eiland Mozambique. In de eerste helft van de 19e eeuw werden slaven hun belangrijkste handelswaar. Met die handel groeiden in de 19e eeuw grote hoofdmanschappen, en via dezelfde contacten met de kust kwam de islam naar de Yao. Rond 1900 stonden alle Yao-gebieden onder Brits, Duits of Portugees gezag. De meeste Yao zijn moslim. Afkomst en opvolging lopen via de moederlijn.
In de literatuur staan de vormen Yao, Wayao en Yawo naast elkaar. Onderzoek in Mozambique gebruikt ook de spelling Yaawo. Het Deutsches Kolonial-Lexikon van 1920 gebruikt de namen Wajao en Jao.
Volgens de overlevering komt de naam van een heuvel Yao in de huidige Mozambikaanse provincie Niassa, tussen de rivieren Lujenda en Luchelingo, ten oosten van het Malawimeer. Het woord zou slaan op een boomloze, met gras begroeide plek waar de voorouders woonden.
Het woongebied van de Yao loopt van het uiterste zuiden van Tanzania via het gebied tussen de rivieren Rovuma en Lugenda in Mozambique tot in het zuiden van Malawi. In Malawi zijn de Yao na de Chewa en de Lomwe de op twee na grootste bevolkingsgroep. De volkstelling van 2018 telde 2.321.763 Yao, van wie 1.927.920 in de Zuidelijke Regio woonden. Rond Zomba in Malawi en Lichinga in Mozambique wonen ook christelijke Yao.
Het oorspronkelijke woongebied van de Yao ligt rond Chiconono, in het huidige district Muembe in Niassa. Eind 16e en begin 17e eeuw openden de Yao een handelsroute voor ivoor naar Kilwa. De Maravi openden in dezelfde tijd een route naar het eiland Mozambique. Rond 1698 hadden de Yao beide routes in handen. Daarna brachten ze het grootste deel van hun ivoor naar Mozambique, waar het de basis van de handel op het eiland werd. Tegen 1785 handelden de meeste Yao weer op Kilwa, omdat daar betere prijzen voor ivoor werden betaald.
Intussen vroegen Arabische handelaren en Franse handelaren van de Mascarenen steeds meer slaven. Rond 1800 verhandelden de Yao die op Mozambique dreven vooral slaven. Eind jaren 1830 gold dat ook voor de route naar Kilwa. Historicus Edward Alpers liet in 1969 zien dat de slavenhandel in de 19e eeuw tot grotere politieke eenheden leidde, met grote territoriale hoofdmanschappen. In diezelfde tijd ontstonden er steden en kwam de islam op. Een staat vormden de Yao nooit. Ze leefden in afzonderlijke groepen onder opperhoofden die vooral militaire en commerciële leiders waren.
Er werden ook Yao als slaaf verkocht. Hun afstammelingen in Somalië behoren tot de Somalische Bantoe, een groep die deels afstamt van tot slaaf gemaakte Afrikanen uit de 19e eeuw en delen van de oorspronkelijke samenlevingen heeft bewaard.
Rond het midden van de 19e eeuw raakten de Yao verspreid. Ze werden vanuit het oosten aangevallen door de Makua en de Lomwe, en ze kregen te maken met de invallen van de Ngoni. Groepen Yao trokken naar het zuiden, het huidige Malawi in, en naar het noorden, het huidige Tanzania in. Volgens Alpers werden de handelaren zo indringers. Ze kregen politiek overwicht in een groter deel van oostelijk Centraal-Afrika, terwijl het oude handelspatroon verdween.

In 1880 liet opperhoofd Mataka II Nyenje de anglicaanse zendeling William Johnson van de Universities' Mission to Central Africa toe in Muembe. Een jaar later onderschepten Britten een slavenkaravaan van Mataka. Mataka verdacht Johnson daarop van spionage en zette hem uit. Rond die tijd bevestigde hij zijn trouw aan de islam.
Op 21 september 1889 riep de Britse waarnemend consul John Buchanan in Mlomba een Brits protectoraat uit over het land van de Makololo, de Yao en de Machinga, in het zuiden van het huidige Malawi. Yao-leiders als Makanjila en Mataka verzetten zich gewapend tegen de Britse en Duitse uitbreiding. In de jaren 1890 bracht het Britse bestuur onder Harry Johnston de Yao-hoofdmanschappen in de Shire Highlands onder koloniaal gezag. Daarna zetten de Britten Yao-opperhoofden in als indirecte bestuurders over de Lomwe, die als arbeiders werkten, en lieten ze hen tabak verbouwen voor de export. Zendingsonderwijs en islamitisch onderwijs werden onder de Yao allebei ontmoedigd.
In Duits-Oost-Afrika woonden de Yao in het zuiden van de kolonie. Het Deutsches Kolonial-Lexikon noemt hen, met de Makua en de Ndonde, als belangrijkste bewoners van het dal van de Rovuma.
In de gewapende strijd voor de onafhankelijkheid van Mozambique (1964–1974) sloten Yao in Niassa zich aan bij het FRELIMO. Ze waren actief in de oostelijke en zuidelijke sectoren van Niassa en langs de route die het Portugese bestuur de Estrada de Mataca noemde. Die route verbond Tanzania, waar het FRELIMO zijn basis had, met de fronten in Niassa en met Malawi. Historicus Milton Correia onderzocht hun rol in 2017 aan de hand van archieven in Maputo en Lissabon.
Het bewind van Hastings Banda discrimineerde de Yao en zette hen weg als medeplichtigen aan de vroegere slavenhandel. In 1981 zette Banda de Yao-politicus en moslimzakenman Bakili Muluzi uit zijn kabinet. In mei 1994 werd Muluzi president van Malawi. Na de terugkeer naar een meerpartijenstelsel kreeg zijn partij, het United Democratic Front, veel steun in het zuiden. Ook Joyce Banda, president van 2012 tot 2014, is een Yao. In oktober 2018 kondigden Yao-leiders de oprichting aan van de culturele vereniging Chiwanja cha a Yao, die jaarlijks een cultuurfestival wil houden. Eerdere pogingen waren volgens de woordvoerder onder meer op politieke inmenging gestrand.

De Yao wonen in dorpen van ongeveer 75 tot 100 mensen onder een traditioneel dorpshoofd. Dorpshoofden en opperhoofden volgen elkaar op via de moederlijn. Meestal gaat het ambt naar de eerstgeboren zoon van de oudste zus. Na het huwelijk trekt de man in bij het dorp van zijn vrouw. Een dorp bestaat daardoor in de kern uit vrouwen die via de moederlijn verwant zijn, met hun mannen. In het noorden van Mozambique kenden de Yao vrouwen met spiritueel en politiek gezag. Onderzoeker Jonna Katto bestudeerde hoe die vrouwen in mondelinge overleveringen voortleven.
De Yao leven van de landbouw. Ze verbouwen maïs en sorghum met zwerflandbouw. Wie bij een meer of grote rivier woont, eet ook vis. In Malawi is tabak een belangrijk handelsgewas.
In het Nationaal Reservaat Niassa in Mozambique zoeken Yao-honingjagers wilde bijennesten met hulp van de grote honingspeurder, een vogel die mensen naar bijennesten leidt. Ze roepen de vogel met een luide triller gevolgd door een korte grom. Die roep geven ze van generatie op generatie door. Na de oogst blijft de was achter voor de vogel. De evolutiebioloog Claire Spottiswoode en haar collega's toonden in 2016 in Science aan dat de vogels op deze roep reageren. Met de roep steeg de kans dat een honingspeurder de jagers leidde van 33 naar 66 procent, en de kans op een gevonden bijennest van 16 naar 54 procent, vergeleken met andere geluiden.

In de 19e eeuw verspreidden de Yao en Swahili-Arabische handelaren de islam langs het Malawimeer. Volgens historicus Augustine Msiska ging de bekering stap voor stap, en waren opperhoofden en dorpshoofden de eersten die zich bekeerden. Pas met de opkomst van de grote hoofdmanschappen van Makanjila en Mataka kreeg de islam echt vaste voet onder de Yao. Volgens onderzoek van T.J. Houston noemt ongeveer 95 procent van de Yao in Mozambique zich moslim. In Malawi wordt de islamitische minderheid sterk met de Yao vereenzelvigd.
Antropoloog Alan Thorold onderscheidde in 1995 drie concurrerende stromingen onder de Yao-moslims in het zuiden van Malawi: de soefi's, de sukuti of 'stille' beweging en de nieuwe hervormers. Op het platteland van Mozambique hangen de meeste Yao een vorm van de Qadiriyya aan, een soefi-orde die ruimte laat voor traditionele gebruiken. De sukuti zijn een kleinere stroming die zich tegen het soefisme keert en vooral in Malawi voorkomt. Zij wijzen herdenkingsmaaltijden (sadaka) en zingen bij begrafenissen af.

Oudere geloofsvormen bestaan naast de islam. De Yao noemen het opperwezen Mlungu. Ze eren hun voorouders vooral met sadaka op vaste momenten na een overlijden, zoals de veertigste dag. Volgens Houston is minder dan 5 procent van de Yao christen.
De Yao kennen initiatieriten voor jongeren. Die waren oorspronkelijk nauw verbonden met de verering van voorouders. Door de islam kregen ze islamitische elementen. Riten als de jando en de msondo verdwenen niet, maar kregen een islamitische vorm. De jando, de initiatie van jongens, heette vroeger lupanda en ging toen gepaard met een gedeeltelijke besnijdenis. Opperhoofden gebruikten de islamisering van de initiatie om hun eigen gezag te versterken.

De nationale UNESCO-commissie van Malawi nam het immaterieel erfgoed van de Yao op in het eerste deel van de nationale inventaris van immaterieel cultureel erfgoed, samen met dat van andere bevolkingsgroepen. De beni is een populaire traditionele dans van de Yao.
Het Ciyawo is een Bantoetaal met naamwoordklassen. Sprekers komen in contact met het Makhuwa, het Swahili, het Chewa, het Makonde en het Ngoni, en in de steden ook met het Engels en het Portugees. In Malawi wint het Chichewa terrein, omdat het de taal van het onderwijs en de media is. Vooral jongeren in de steden schakelen over. De eerste beschrijvingen van de taal verschenen in de tweede helft van de 19e eeuw, onder meer van de zendelingen Edward Steere (1871) en Alexander Hetherwick (1889).
De predikant Yohanna Barnaba Abdallah (circa 1870–1924), zelf een Yao, schreef in 1919 Chiikala cha Wayao over de gewoonten, tradities en geschiedenis van zijn volk. Volgens historicus Thiago de Araujo Folador schetst Abdallah daarin een eigen beeld van de 'echte Yao', gekleurd door de komst van het koloniale bestuur in Mozambique rond 1900. Meredith Sanderson vertaalde en bewerkte het boek. In 1973 verscheen een tweede druk met een inleiding van Edward Alpers. Alpers promoveerde in 1966 op de rol van de Yao in de handel in oostelijk Centraal-Afrika.