Hij was zoon van de Amsterdamse kantoorbediende/accountant Simon Christiaan Franken en diens tweede vrouw Catherina Maria Overduin.
Alhoewel geboren in Drenthe, kreeg hij zijn muziekopleiding aan het Goois Muzieklyceum (de familie vertrok naar Hilversum) en de Nederlandse Beiaardschool. Leraren waren Jos Wilderbeek, Trijntje Hart Nibbrig-de Graaf (piano), Hugo Godron, Karel Mengelberg (muziektheorie), Leen 't Hart en Peter Bakker (carillon). Hij was enige tijd pianist bij het Scapino Ballet en het Ballet der Lage Landen. Later was hij pianodocent aan de instelling waar hij zijn muziekonderwijs genoten had en de regionale muziekschool Amersfoort. In aanvulling daarop bespeelde hij als stadsbeiaardier van zowel het carillon van een kerk in Driebergen (tot 1963), Laurenstoren in Weesp (vanaf 1963 tot 1986) als dat van de Zuiderkerk (vanaf 1965 tot 1986) op donderdag rond de middag in Amsterdam. Naast werken voor beroepsmusici schreef hij ook veelvuldig werken voor “goede amateurs”.
In 1990 ontving hij de Dr. André Lehrprijs voor zijn composities voor carillon tijdens het achtste wereldbeiaardcongres in Zutphen. Hij kreeg voorts de stadspenning van Amersfoort. Franken over zijn eigen muziek: "Ik schrijf mijn muziek zoals ik het mooi vind. Als anderen het niet mooi vinden, dan niet. Punt." In 1956 schreef hij een werk voor een (anoniem) carillonconcours; de naam van de componist werd pas later bekendgemaakt; de jury had vermoed dat Wouter Paap het geschreven had, het was Franken.
Zijn oeuvre (jaartallen geven indicatie):
1948: Divertimento voor fluit, altviool, cello en piano
1952: Variaties en fughetta over een oud-Frans kerstlied (voor carillon)
1952: Eerste pianoconcert (met strijkers)
1954: Rilke-liederen (in 1957 nog gezongen door de destijds altThérèse Steinmetz)
1956: Sinfonietta
1956: Fantasia en rondeau voor carillon
1956: Orgelsonate
1958: Concertino voor strijkorkest
1958: Serenade voor fluit/piccolo, piano en contrabas
1959: Arioso en passacaglia (carillon)
1959: Yoeng Poe Tsjong (Concertgebouwprijs)
1960: Sonatine voor carillon, leverde een prijs van Klokkengieterij Petit & Fritsen op; in hetzelfde jaar een verplicht werk voor beiaardierswedstrijd in Rotterdam
1952-1961: Circo (een derde prijswinnaar van een componistenwedstrijd, uitgeschreven door het Genootschap voor Nederlandse Componisten onder leiding van Willem Landré
1961: De geuzen (oudnederlandse liederen met koperblazers en slagwerk)
1962: Volkswijze (Concertgebouwprijs)
1962: Cantate Campanae voor een studentengezelschap in Wageningen.