Xiphodracon

Xiphodracon is een geslacht van de Ichthyosauria, behorende tot de Leptonectidae, dat tijdens de vroege Jura leefde in het gebied van het huidige Engeland. De enige benoemde soort is Xiphodracon goldencapensis.

Vondst en naamgeving

Het holotype

Tegen 2001 ontdekte Christopher Moore op de kustlijn ten oosten van de Golden Cap, de hoogste klip op de zuidkust van Engeland, het skelet van een ichthyosauriër. Na een inleidende preparatie verkocht hij het in 2001 na bemiddeling door de ichthyosauriërexpert Christopher McGowan aan het Royal Ontario Museum waar de kop verder geprepareerd werd door Ian Morrison. Motani beschreef in 2005 aspecten van het eigenaardige schedeldak. Men concludeerde dat het een nog onbekende soort betrof.

De vindplaats van de Golden Cap af bezien

In 2025 werd de typesoort Xiphodracon goldencapensis benoemd en beschreven door Dean Robert Lomax, Judy Ann Massare en Erin Elizabeth Maxwell. De geslachtsnaam is afgeleid van het Grieks xiphos, "zwaard", en drakoon, "draak", een verwijzing naar de zwaardvormige snuit. De soortaanduiding verwijst naar de herkomst bij Golden Cap.

Het holotype, ROM VP52596, is gevonden in een laag van de Charmouth Mudstone Formation die dateert uit het vroege Pliensbachien, zo'n 190 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een skelet met schedel. Het uiteinde van de staart ontbreekt; alleen de eerste dertien wervels van de staartbasis zijn er nog en drie losse wervels. Chevrons ontbreken. Het is het meest complete ichthyosauriërskelet dat ooit uit het Pliensbachien van Europa is gevonden. Het is nauwelijks samengedrukt. Bij het tongbeen is een mogelijke prooi bewaard. Op sommige punten zijn delen van de weke delen gepreserveerd. Het postcraniale skelet, dus de romp en ledematen, was in 2025 grotendeels nog niet uitgeprepareerd op de linkervoorvin na die men heeft laten uitsteken. Het skelet is van onderen zichtbaar. Het betreft een jongvolwassen individu.

Moore zou in de nabijheid een gelijkend tweede skelet vinden in een iets oudere laag. In 2025 was het in bruikleen bij het Charmouth Heritage Coast Centre. Mogelijkerwijs kan het aan Xiphodracon worden toegewezen.

Beschrijving

De schedel

Grootte en onderscheidende kenmerken

Het holotype heeft een bewaarde lengte van 228 centimeter. De oorspronkelijke lengte is geschat op drie meter.

De beschrijvers stelden een aantal onderscheidende kenmerken vast. Sommige daarvan zijn autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen. De bovenste voorrand van het driestralige traanbeen heeft ruwe groeven waartussen zes takken ver naar voren uitsteken. Het prefrontale heeft een voorste tak met uitstekende structuren die ineengrijpen met gelijkende structuren op het neusbeen en het bovenste traanbeen. Het achterste foramen op de snuit is verbonden met het neusgat. Het achterste foramen op de snuit wordt begrensd door het neusbeen, het prefrontale en het traanbeen. Een kleine beenplaat op het neusbeen en het traanbeen vormt een insnoering die het achterste foramen verbindt met de neusopening. Het voorste bovenste deel van het bovenkaaksbeen wordt in tweeën gedeeld door de tak van de praemaxilla onder het neusgat, bovenste en onderste takken scheppend. Het bovenkaaksbeen vormt vrijwel de hele onderrand van het neusbeen wat verder van ichthyosauriërs uit de vroege Jura onbekend is.

De schedel van boven bezien

Verder is er een unieke combinatie van op zich niet unieke kenmerken. De middenkam van de wandbeenderen steekt naar boven uit in een opvallende richel. Het foramen pineale is ovaal langwerpig en bijna geheel in de voorhoofdsbeenderen gelegen met slechts een kleine (achterste) bijdrage van de wandbeenderen. Het prefrontale beslaat een groot deel van het middelste buitenste schedeldak. Het prefrontale dringt het postfrontale van het voorhoofdsbeen. Het prefrontale raakt het wandbeen. De voorste tak van het prefrontale is dik en gevorkt, een bijdrage leverend aan de neusopening. Het postorbitale is horizontaal breed en robuust naar boven maar niet naar beneden taps toelopend, meer dan de helft van de achterrand van de oogkas beslaand. De voorste tak van het bovenkaaksbeen steekt maar iets voor het neusgat uit. Het squamosum is langwerpig, de hele hoogte van het achterdeel van de schedel beslaand. Het achterdeel van het dentarium is verticaal zeer dun. Het spleniale wikkelt zich om de onderrand van de onderkaak, op de middelste lengte van de schedel, schuin voor en onder de positie van het neusgat. Het spleniale en dentarium maken van onderen bezien een groot deel van de onderkaak uit. Het angulare is achteraan hoog maar neemt naar voren abrupt in hoogte af en reikt niet verder dan een punt nog voor het midden van de oogkas. De snuit is slank, delicaat gebouwd en relatief lang zoals bij alle leptonectiden maar zonder overbeet. De tanden zijn klein en slank met fijne glazuurrichels die bijna het gladde spits bereiken. De tandwortels hebben groeven die uitlopers zijn van sommige richels op de kroon. De korf van buikribben is aanzienlijk naar achteren doorlopend tot de vijfendertigste wervel na de kop. Het ravenbeksbeen heeft een hoge voorste inkeping. De ravenbeksbeenderen zijn robuust, veel breder horizontaal dan overdwars. De binnenste tak van de interclavicula is uitzonderlijk lang maar de balk overdwars is erg kort. Het opperarmbeen is langer dan breed, veel breder aan het onderste dan het bovenste uiteinde met een smalle schacht. Het opperarmbeen heeft een sterk gereduceerde en centraal gelegen bovenste trochanter. De voorvin heeft vier vingers, homoloog aan de tweede tot en met vijfde vinger. Twee vingers, de derde en vierde, raken het intermedium. Twee vingers, de vierde en vijfde, raken het ulnare. De tweede en derde vinger steken verder uit dan de vierde en vijfde. Het spaakbeen is groter dan de ellepijp. Bij de voorvin zijn de voorrand van het radiale en het uiterste tweede carpale ingekeept. Het bekken bestaat per zijde uit drie delen. Het zitbeen is langer dan het darmbeen, schaambeen of dijbeen. Het dijbeen is veel langer dan breed met het onderste uiteinde breder dan het bovenste. Er zijn vier tenen, homoloog aan de tweede tot en met vijfde teen. Het scheenbeen, het tibiale (onderste tweede tarsale), het tweede middenvoetsbeen en minstens het eerste kootje van de tweede teen hebben een ingekeepte voorrand.

Skelet

De schedel heeft een lengte van 642 millimeter. De snuit maakt daar ruim twee derden van uit en de praemaxillae daar weer 80% van. De oogkassen zijn groot met een diameter van 115 millimeter en scleraalringen met vijftien plaatjes. De grote bijdrage van het bovenkaaksbeen aan de rand van het neusgat lijkt op de situatie bij sommige triadische ichthyosauriërs. De hele bovenrand van het neusgat wordt gevormd door het neusbeen. De neusbeenderen beslaan in bovenaanzicht 59% van de snuitlengte. Sommige van de unieke takken die aan het traanbeen ontspruiten zijn aan het uiteinde gevorkt. Massare dacht dat de neusgaten gezien de verbindingen met de achterste foramina zoutklieren huisden. Dat het prefrontale het neusgat raakt wordt gedeeld met Hauffiopteryx. De voorste tak van het prefrontale dringt de opgaande tak van het traanbeen van de oogkas.

De onderkaak heeft een lengte van 662 millimeter. De symfyse heeft een lengte van 335 millimeter waarvan het spleniale 45% uitmaakt. Er zijn minstens achttien maxillaire tanden.

De wervelkolom heeft een bewaarde lengte van 1525 millimeter. De rug is 116 centimeter lang met vierenveertig wervels. De staartbasis zal ongeveer zeventig centimeter lang zijn.

Fylogenie

Xiphodracon werd in een nieuw benoemde klade Hauffiopterygia geplaatst als zustersoort van Hauffiopteryx.

Neoichthyosauria

Levenswijze

Xiphodracon was een roofdier dat vermoedelijk zijn lange snuit gebruikte om kleine dieren in een snelle zijwaartse beweging te grijpen. De prooi die tussen de kaken gevonden is, betreft vermoedelijk een vis maar kan ook een ichthyosauriërjong geweest zijn — de wervels lijken erg op elkaar. Andere visresten bevinden zich in de romp en wijzen erop dat de maag asymmetrisch links ligt. Beschadigingen aan de basis van de schedel zijn gezien als bewijs dat het holotype gestorven is door een beet van een groot zeereptiel waarvoor dan de ichthyosauriër Temnodontosaurus de aangewezen kandidaat is.

Het holotype leed aan verschillende ongemakken. Een daarvan was een beschadigd gebit. De botten tonen sporen van caissonziekte, een effect van te snel opduiken.

Literatuur