| Zamia | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Zamia lindenii | ||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||
| ||||||||||||
| Geslacht | ||||||||||||
| Zamia L. (1763) | ||||||||||||
| Typesoort | ||||||||||||
| Zamia pumila | ||||||||||||
| Zamia pumila | ||||||||||||
| ||||||||||||
Zamia is een geslacht van planten in de orde van de palmvarens (Cycadales).
De stammen vormen meestal ondergrondse knollen. Sommige soorten vormen een bovengrondse stam, die wel 4 meter en hoog kan worden. Er zijn soorten met een sterk afwijkende groeivorm. Zo is Zamia pseudoparasitica een epifyt op boomstammen en verankert zichzelf met zijn wortels. Verder zijn er twee soorten die groeien op zandsteenrotsen met hun wortels in kleine spleten. Bij de soorten die in het regenwoud groeien, is de stam vaak bedekt met epifyten.
De bladeren zijn even geveerd, lang of kort, rechtopstaand, horizontaal of hangend en zeer variabel. De zich ontwikkelende bladeren zijn groen, bronskleurig, rood of paars. De bladsteel en bladnerf zijn glad of hebben scherpe stekels. De blaadjes zijn stijf en leerachtig of zacht en papierachtig, het oppervlak glad, gegroefd of geribbeld, glanzend of mat, de bladrand gaaf, getand of gezaagd. Zamia variegata heeft bont gekleurde bladeren (variëgatie).
De vrouwelijke kegels verschillen sterk, afhankelijk van de soort. Het formaat varieert van 7,5 cm tot 46 cm. De kleur van de vlezige zaadhuid (sarkotesta) varieert van geel tot oranje en roze tot rood. De kegels hebben 6 tot 14 maanden nodig om te rijpen. Zolang de sarkotesta onrijp is, valt hij niet op. Wanneer de kegel openbreekt, stoppen de zaden met rijpen en wordt de sarkotesta gekleurd en zacht. Voor zover bekend worden alle soorten bestoven door insecten. De zaden worden verspreid door vogels en knaagdieren. Mannelijke kegels zijn minder variabel in vorm dan de vrouwelijke. Ze zijn klein, groeien en sterven snel af. Bij sommige tropische soorten rijpen de vele mannelijke kegels na elkaar, waardoor de stuifmeelproductie lang duurt.
De Zamia-soorten komen voor in onderling sterk verschillende habitats. Zij zijn daarmee de ecologisch meest diverse groep van de palmvarens. Er zijn soorten in het regenwoud, de savanne, op vaste kustduinen, getijdenmoerassen en woestijnen. De hoogte waarop ze worden aangetroffen varieert tussen zeeniveau en maximaal 2500 meter daarboven. Veel soorten worden bedreigd omdat ze slechts binnen een beperkt areaal voorkomen, waarbij dit areaal steeds vaker verloren gaat aan landbouwkundig gebruik.
Zamia-soorten worden relatief zelden als sierplant gebruikt in vergelijking met andere palmvaren-geslachten. Dat komt door hun verspreiding in tropische gebieden. In de gematigde gebieden kunnen ze bijna alleen in kassen worden gekweekt.
Het geslacht Zamia werd in 1763 geldig gepubliceerd door Carl Linnaeus. De typesoort is Zamia pumila. Het geslacht Zamia komt voor in het neotropisch gebied, maar als een van de weinige palmvarens zowel aan de noord- als aan de zuidzijde van de evenaar. De noordgrens van de verspreiding ligt in de Verenigde Staten (Georgia en Florida). Het gebied strekt zich verder uit over Mexico, West-Indië en Midden-Amerika en Zuid-Amerika tot Noord-Chili, Bolivia en Brazilië. De grootste biodiversiteit is te vinden in Panama, Colombia en Cuba. In 2009 waren er 22 soorten in Mexico. Whitelock (2002) somt 60 Zamia-soorten op. Daarna werden er nog meer soorten beschreven.