Absolutie (van het Latijnse absolvere, 'losmaken, vrijspreken') is in het christendom de vergeving van zonden die een bedienaar van de kerk in naam van God uitspreekt over iemand die berouw heeft. In de Katholieke Kerk en de oosters-orthodoxe kerken is de absolutie het wezenlijke deel van het sacrament van boete en verzoening, de biecht. Ook in het lutheranisme en het anglicanisme bestaat een vorm van absolutie, al wordt de betekenis ervan daar anders opgevat.
De Katholieke Kerk beroept zich voor de macht om zonden te vergeven op drie passages uit de evangeliën: de belofte van de sleutels van het hemelrijk aan Petrus en de macht om te 'binden en te ontbinden' (Matteüs 16:19 en 18:18), en de woorden van de verrezen Christus tot zijn leerlingen in Johannes 20:21-23: wie zij de zonden vergeven, die zijn ze vergeven. Volgens de katholieke leer kan alleen God zonden vergeven; Christus heeft die macht echter overgedragen aan de apostelen en hun opvolgers, die haar in zijn naam uitoefenen. Verzoening met God gaat daarbij samen met verzoening met de kerkgemeenschap.
In de eerste eeuwen gold het doopsel als het grote sacrament van vergeving. Of zware zonden die na de doop werden begaan nog door de kerk konden worden vergeven, was omstreden. Het geschrift De herder van Hermas (midden 2e eeuw) verdedigde dat er na de doop ten minste één keer een mogelijkheid tot boete moest bestaan. Strengere auteurs, onder wie Tertullianus in zijn montanistische periode, Origenes en de volgelingen van Novatianus, ontzegden de kerk het recht om zonden als afvalligheid, moord en overspel te vergeven.
Een keerpunt was een besluit van bisschop Calixtus I van Rome (ca. 217-222), die verklaarde dat hij boetvaardigen vergeving schonk voor overspel en ontucht. Tertullianus bestreed dit besluit fel in zijn geschrift De pudicitia en ook Hippolytus van Rome keerde zich ertegen. Volgens de Catholic Encyclopedia werd de macht om zonden na de doop te vergeven vanaf Calixtus algemeen erkend als behorend aan de priesters van de kerk.
De verzoening van zondaars die zware zonden hadden begaan, was in deze periode aan een strenge, openbare boetediscipline gebonden. Boetelingen moesten soms jarenlang openbaar boete doen voordat zij werden verzoend, en in sommige streken was dat maar één keer in een mensenleven mogelijk. De verzoening vond meestal plaats op Witte Donderdag, onder leiding van de bisschop.
In de 7e eeuw brachten Ierse missionarissen, geïnspireerd door de oosterse kloostertraditie, de 'private' boete naar het Europese vasteland. Daarbij ging de verzoening niet meer vooraf aan een langdurige openbare boete, vond het sacrament in het verborgene plaats tussen boeteling en priester en kon het herhaald worden. Zo werd de absolutie die volgt op een persoonlijke biecht in de loop van de middeleeuwen de gebruikelijke vorm.
De oude sacramentaria gebruikten voor de absolutie een smeekbede (deprecatieve vorm), waarin de priester God om vergeving voor de boeteling vraagt. Vanaf de 11e eeuw is een verschuiving zichtbaar naar een indicatieve, persoonlijke formule: 'Ik spreek u vrij'. De scholastici debatteerden over de vraag of de priester de zonde zelf vergeeft of slechts de straf kwijtscheldt. Bonaventura en Thomas van Aquino zagen de absolutie van de priester als de 'vorm' (forma) van het sacrament; Duns Scotus ging nog verder en stelde dat het sacrament hoofdzakelijk in de absolutie bestaat. Het Concilie van Florence bepaalde in 1439, in het decreet voor de Armeniërs, dat de vorm van het sacrament ligt in de woorden Ego te absolvo ('Ik ontsla u').
In reactie op de Reformatie bevestigde het Concilie van Trente in zijn veertiende zitting (1551) dat Christus de macht om zonden te vergeven en niet te vergeven aan de apostelen en hun wettige opvolgers heeft gegeven. Het concilie verwierp de opvatting dat het hier slechts zou gaan om de opdracht het evangelie te verkondigen. Volgens Trente ligt de kracht van het sacrament vooral in de woorden van de priester 'Ik ontsla u', terwijl berouw, belijdenis en genoegdoening van de boeteling als het ware de 'materie' (quasi materia) van het sacrament vormen.
Volgens het geldende kerkelijk wetboek, de Codex Iuris Canonici van 1983, verkrijgen gelovigen die hun zonden aan een bevoegde bedienaar belijden, er berouw over hebben en zich willen beteren, door de absolutie van die bedienaar van God vergeving voor de zonden die zij na de doop hebben begaan. Tegelijk worden zij verzoend met de kerk, die zij door hun zonde hebben gekwetst. De Catechismus van de Katholieke Kerk onderscheidt in het sacrament twee even wezenlijke elementen: de handelingen van de boeteling (berouw, belijdenis en genoegdoening) en het handelen van God via de kerk, die door de bisschop en zijn priesters in naam van Christus de zonden vergeeft.
Een priester mag de absolutie niet weigeren of uitstellen als hij niet twijfelt aan de gezindheid van een boeteling die erom vraagt. Wie twijfelt aan een noodzakelijke voorwaarde, bijvoorbeeld of een bewusteloze stervende nog in leven is, kan de absolutie voorwaardelijk geven; die praktijk is sinds de 15e eeuw aanvaard, onder meer door toedoen van de Franse theoloog Jean Gerson.
De absolutieformule van de Latijnse kerk drukt volgens de catechismus uit dat de Vader de bron van alle vergeving is, die de zondaar verzoent door de dood en verrijzenis van zijn Zoon en de gave van de Geest, door het gebed en de bediening van de kerk. Het wezenlijke deel van de formule luidt in het Nederlands:
Ik ontsla u van uw zonden, in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
In de liturgische viering volgt de absolutie op de begroeting, de lezing uit de Schrift, de belijdenis en de oplegging van een penitentie, en wordt zij afgesloten met dankzegging en zegen.
Alleen een priester kan de absolutie geldig geven. Naast de priesterwijding heeft hij daarvoor een bevoegdheid (facultas) nodig, die hij krachtens zijn ambt of door verlening van de bevoegde kerkelijke overheid ontvangt. In doodsgevaar mag iedere priester elke boeteling absolveren, ook zonder die bevoegdheid. De absolutie van een medeplichtige aan een zonde tegen het zesde gebod is ongeldig, behalve in doodsgevaar. Wat de priester in de biecht verneemt, valt onder het biechtgeheim.
De persoonlijke en volledige biecht met absolutie is volgens het kerkelijk recht de enige gewone weg tot verzoening voor wie zich van een zware zonde bewust is. Een generale absolutie aan een groep zonder voorafgaande persoonlijke biecht is alleen toegestaan bij dreigend doodsgevaar zonder tijd om iedereen afzonderlijk te horen, of bij ernstige noodzaak doordat er te weinig biechtvaders zijn. Een grote toeloop op feestdagen of bedevaarten geldt niet als zo'n noodzaak; de diocesane bisschop oordeelt of aan de voorwaarden is voldaan. Wie op deze wijze absolutie ontvangt, moet het voornemen hebben zijn zware zonden later alsnog persoonlijk te belijden.
In de oosterse kerken heeft de absolutieformule traditioneel de vorm van een gebed, waarin God wordt gevraagd door de priester heen de zonden te vergeven. De catechismus noemt als voorbeeld een byzantijnse formule die God aanroept als degene die David via de profeet Natan vergaf, die Petrus vergaf toen hij bitter weende, en die de zondares, de Farizeeër en de verloren zoon vergeving schonk. Volgens de Catholic Encyclopedia sluiten deze deprecatieve formules het idee van een rechterlijke uitspraak door de bedienaar niet uit; de Russische formule bevat naast de bede ook de woorden waarmee de priester zelf vrijspreekt.
De reformatoren verzetten zich tegen de katholieke biechtpraktijk, met name tegen de verplichting alle zonden op te sommen. De Augsburgse Confessie (1530) stelt in artikel XI dat de private absolutie in de kerken behouden moet blijven, maar dat een opsomming van alle zonden niet nodig is. Vanuit de leer van de rechtvaardiging door het geloof wordt de absolutie in het lutheranisme opgevat als verkondiging van de vergeving door Christus. Huldrych Zwingli zag alleen God als degene die zonden vergeeft, en Johannes Calvijn beschouwde de boete niet als sacrament, al zag hij in de vergeving die de kerkdienaar uitspreekt een versterking van de zekerheid van de gelovige.
In protestantse kerken is de absolutie meestal een openbare verklaring tijdens de eredienst, die God om vergeving vraagt of verkondigt dat God allen vergeeft die oprecht berouw hebben. Het anglicaanse Book of Common Prayer bevat algemene absoluties in het morgengebed en de communiedienst, en een persoonlijke absolutie na een biecht bij het bezoek aan zieken.