Ad providam

Middeleeuws perkament met de tekst van de pauselijke bul Ad providam.
Een exemplaar van de bul Ad providam van paus Clemens V. De bul regelde in 1312 de bestemming van het merendeel van de voormalige bezittingen van de Tempeliers.

Ad providam (ook aangeduid naar de beginwoorden als Ad providam Christi vicarii) is een pauselijke bul van paus Clemens V, uitgevaardigd op 2 mei 1312 tijdens het Concilie van Vienne. De bul regelde de bestemming van een groot deel van de bezittingen van de kort daarvoor opgeheven Orde van de Tempeliers. Clemens V droeg de meeste goederen, rechten en inkomsten van de orde over aan de Orde van Sint-Jan van Jeruzalem (Orde van Malta), met belangrijke uitzonderingen voor bezittingen in de koninkrijken Castilië, Aragón, Portugal en Mallorca.

De bul maakte deel uit van een reeks pauselijke maatregelen waarmee de juridische en vermogensrechtelijke gevolgen van de opheffing van de Tempelorde werden geregeld. De orde zelf was door Clemens V kort tevoren met de bul Vox in excelso, gedateerd 22 maart 1312, opgeheven. Ad providam had daarom niet primair betrekking op de oorspronkelijke inbeslagneming van de Tempeliersgoederen, die al tijdens de vervolging van de orde vanaf 1307 had plaatsgevonden, maar op hun uiteindelijke kerkelijke bestemming.

Achtergrond

Op 13 oktober 1307 liet koning Filips IV van Frankrijk grote aantallen Tempeliers in zijn koninkrijk arresteren. Hun bezittingen werden daarbij onder koninklijk beheer gebracht. Clemens V verzette zich aanvankelijk tegen het feit dat de Franse koning zonder voorafgaande pauselijke toestemming tegen een rechtstreeks aan de paus ondergeschikte religieuze orde was opgetreden. Op 22 november 1307 vaardigde hij echter de bul Pastoralis praeeminentiae uit, waarmee ook andere christelijke vorsten werden opgedragen de Tempeliers te arresteren en hun goederen namens het pausdom in bewaring te nemen.

De beschuldigingen tegen de orde leidden tot kerkelijke onderzoeken en uiteindelijk tot het Concilie van Vienne van 1311–1312. Hoewel geen veroordeling van de orde als geheel door middel van een regulier eindvonnis tot stand kwam, hief Clemens V de Tempelorde met Vox in excelso op bij wijze van pauselijke voorziening of verordening. Daarmee moest vervolgens worden bepaald welke bestemming de omvangrijke eigendommen en rechten van de voormalige orde zouden krijgen.

Bepalingen

In Ad providam motiveerde Clemens V de overdracht vanuit het oorspronkelijke religieuze doel waarvoor de goederen aan de Tempeliers waren geschonken. De paus stelde dat dit vermogen ten dienste moest blijven staan van de Kerk en van de zaak van het Heilige Land. De Orde van Sint-Jan van Jeruzalem werd daarvoor als geschikte bestemming beschouwd.

De schenking aan de Hospitaalridders omvatte volgens de bul onder meer huizen, kerken, kapellen, kastelen, nederzettingen, landerijen, boerderijen, rechtsgebieden, inkomsten, rechten en zowel roerende als onroerende goederen die aan de Tempelorde hadden toebehoord. Ook de daaraan verbonden privileges, immuniteiten en aanspraken werden in beginsel aan de Hospitaalorde overgedragen.

De Latijnse tekst omschrijft de overdracht als een blijvende vereniging en incorporatie van de betreffende goederen met de Orde van Sint-Jan. Een wetenschappelijke editie van de bul is onder meer opgenomen in het Regestum Clementis Papae V; een digitale transcriptie is beschikbaar via het Institut de recherche et d'histoire des textes van het CNRS.

Uitzonderingen voor het Iberisch Schiereiland

De algemene overdracht gold uitdrukkelijk niet voor de voormalige Tempeliersgoederen in de gebieden van de koningen van Castilië, Aragón, Portugal en Mallorca. Clemens V reserveerde de beslissing over die eigendommen aan de Heilige Stoel.

Deze uitzondering hing samen met de bijzondere politieke en militaire omstandigheden op het Iberisch Schiereiland en met de aanspraken die de betrokken vorsten op de Tempeliersgoederen maakten. Vooral koning Jacobus II van Aragón onderhandelde langdurig met het pausdom over hun bestemming. In de Kroon van Aragón leidde dit onder paus Johannes XXII uiteindelijk tot een regeling waarbij voormalige Tempeliersgoederen in Aragón en Catalonië grotendeels aan de Hospitaalridders toevielen, terwijl in Valencia de nieuwe Orde van Montesa werd begiftigd met goederen van zowel de Tempeliers als de Hospitaalridders.

In Portugal ontstond in 1319, met pauselijke goedkeuring, de Orde van Christus, waaraan voormalige Portugese Tempeliersbezittingen werden toegewezen. De Iberische uitzonderingen van Ad providam betekenden daardoor dat de eigendomsafwikkeling daar een andere ontwikkeling kon volgen dan de algemene overdracht aan de Hospitaalridders.

Uitvoering

De pauselijke beslissing betekende niet dat de Hospitaalridders de voormalige Tempeliersbezittingen onmiddellijk daadwerkelijk in handen kregen. In verschillende gebieden waren de landerijen en inkomsten sinds de arrestaties beheerd door koningen, plaatselijke heren of andere belanghebbenden. De uitvoering van Ad providam leidde daarom tot langdurige onderhandelingen en juridische geschillen.

Voor Engeland heeft J. Michael Jefferson aangetoond dat de overdracht aanzienlijk trager verliep dan de pauselijke regeling deed vermoeden. De Engelse Kroon, adellijke families en nakomelingen van oorspronkelijke schenkers maakten aanspraak op delen van het voormalige Tempeliersbezit. In 1338, meer dan een kwart eeuw na Ad providam, bevonden nog steeds niet alle voormalige Tempeliersgoederen zich in handen van de Hospitaalorde.

Ook elders bestond er een verschil tussen de juridische toewijzing door het pausdom en de feitelijke verwerving van de goederen. Daardoor moet Ad providam vooral worden beschouwd als het pauselijke juridische uitgangspunt voor de overdracht, niet als het moment waarop alle betrokken eigendommen daadwerkelijk van eigenaar veranderden.

Andere bullen over de Tempeliers

Ad providam moet worden gezien in samenhang met verschillende andere bullen van Clemens V over de afwikkeling van de Tempelorde. Kort na Ad providam volgde op 6 mei 1312 Considerantes dudum, waarin de behandeling van de afzonderlijke leden van de opgeheven orde verder werd geregeld. Op 16 mei volgde Nuper in concilio, betreffende de uitvoering van de vermogensoverdracht. Later in 1312 en begin 1313 verschenen nog aanvullende pauselijke bepalingen over de voormalige Tempeliersgoederen.

De bepalingen betreffende het onderhoud en de verdere behandeling van voormalige Tempeliers behoren daarom niet zonder meer tot Ad providam zelf. In de populaire literatuur worden deze verschillende besluiten soms samengevoegd, maar de pauselijke documenten behandelden de opheffing van de orde, haar vermogen en de positie van haar voormalige leden in afzonderlijke regelingen.

Betekenis

Ad providam vormde de belangrijkste algemene pauselijke regeling voor de bestemming van het vermogen van de opgeheven Tempelorde. Door de goederen in beginsel aan een andere religieuze militaire orde over te dragen, bleef een groot deel ervan bestemd voor doeleinden die volgens het pausdom aansloten bij de oorspronkelijke schenkingen aan de Tempeliers. De bul had daardoor langdurige gevolgen voor de grondbezittingen en inkomsten van de Hospitaalridders in verschillende Europese gebieden.

Tegelijkertijd laten de Iberische uitzonderingen en de moeizame uitvoering elders zien dat de pauselijke beschikking niet overal tot een uniforme vermogensoverdracht leidde. De feitelijke afwikkeling werd mede bepaald door lokale eigendomsrechten, koninklijke belangen en onderhandelingen tussen de Heilige Stoel, wereldlijke machthebbers en de Hospitaalorde.

Literatuur

Zie ook

Zie de categorie Ad providam van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.