| Adonisblauwtje | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Bovenaanzicht ♂ | ||||||||||||||
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Lysandra bellargus (Rottemburg, 1775) Originele combinatie Papilio bellargus | ||||||||||||||
| Synoniemen | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| ||||||||||||||
Het adonisblauwtje (Lysandra bellargus) is een vlinder uit de familie Lycaenidae.
De spanwijdte is 27-32 mm. Het mannetje is aan de bovenkant hemelsblauw, het vrouwtje daarentegen is donkerder met warme bruine kleuren en heeft langs de vleugels een oranje rand. De onderkant van de vleugel heeft een bruinige ondergrond met verspreide zwarte, witgerande stippen.
Het adonisblauwtje komt voornamelijk voor in warm heuvelachtig gebied bij open graslanden op een kalkrijke bodem. De soort is inheems in Centraal- en Zuid-Europa, Zuid-Rusland, Turkije, Irak, Iran en de (Zuidelijke) Kaukasus. De soort is zeldzaam in Zuid-België en komt in Nederland niet voor.
De rupsen scheiden een zoete vloeistof af, waar mieren dol op zijn. Zodoende komen de meeste adonisblauwtjes dus in mierenrijke gebieden voor. De waardplanten van de soort zijn die onder de taxa Hippocrepis en Leguminosae. De rupsen van de tweede generatie kunnen veel nadeel ondervinden van droogte waardoor waardplanten als paardenhoefklaver en bont kroonkruid afsterven.
Er zijn relatief meer mannetjes dan vrouwtjes, maar door hun lichtere kleur vallen ze ook eerder op. Ze kunnen waargenomen worden in twee generaties; van mei tot juni en van augustus tot september.
