
Adriaan Moens (Middelburg, 30 juli 1729 - Batavia, 12 oktober 1792) was een koopman in dienst van de VOC. Hij bracht achttien jaar door in Ceylon en was daarna van 1770 tot 1781 commandeur van Malabar en van 1783 tot 1789 directeur-generaal in Batavia.
Adriaan Moens werd geboren in Middelburg, waar zijn vader Josias Moens onderwijzer aan de Latijnse school en voorzanger in de Oostkerk was. Zijn moeder was Petronella van der Maas. Moens ging vanaf 1743 naar de Latijnse school met de bedoeling predikant te worden, maar op zijn 23e besloot hij in dienst te gaan van de VOC. Hij vertrok in de rang van assistent met het schip Arnestein van de Kamer Zeeland op 3 januari 1751 naar Ceylon, waar hij op 14 juli aankwam. In Ceylon verkreeg de VOC de specerij kaneel op basis van een 17e-eeuws exclusief verdrag met het koninkrijk Kandy in het binnenland. Hoge kwaliteit kaneel groeide uitsluitend op Ceylon en kon in Europa met veel winst verkocht worden. Moens werkte een aantal jaren als klerk op de secretarie in Colombo, waarna hij in augustus 1752 tot boekhouder werd bevorderd. Op 19 augustus 1755 werd hij administrateur in Trincomalee in de rang van onderkoopman. In maart 1757 was hij weer terug in Colombo, waar hij werd aangesteld als eerste klerk. Hij trouwde er op 4 maart 1759 met de daar in 1726 geboren weduwe Susanna Adriana Potken. Zij overleed echter al twee jaar later, op 24 mei 1761, wellicht aan de gevolgen van een bevalling twee weken eerder. De twee kinderen die tijdens het huwelijk geboren waren overleden later dat jaar ook. Het graf van Moens' vrouw en kinderen bevindt zich in de Wolvendaalkerk in Colombo.

In februari 1762 werd Moens soldijboekhouder en bevorderd in de rang van koopman. Hij was lid van de Raad van Colombo (de zogeheten politieke raad) en trad daarin ook op als secretaris. Op 22 mei 1763 hertrouwde hij met de 29-jarige in Jaffnapatnam geboren Sara Maria Raket. Ze was een dochter van Jan Helfrig Raket, opperhoofd van Fort Mannar. Ze kregen in februari 1764 hun eerste kind, Petronella Magdalena, genoemd naar Moens' broer Petrus Moens, die aanwezig was bij de doop. Een tweede kind, Adriana Maria, overleed kort na de geboorte in mei 1765. In deze jaren woedde er een oorlog tussen de VOC en Kandy, die tijdens het bewind van gouverneur Lubbert Jan van Eck in het begin van 1765 in het voordeel van de VOC beslecht werd. Van Eck stierf kort daarna en werd in juni opgevolgd door Iman Willem Falck. Deze eiste nu de hele kuststrook rondom het eiland voor de VOC op. Hij gaf Moens in 1766 de opdracht om samen met de kapitein-luitenant en landmeter Christiaan Wohlfarth de nieuwe grenzen vast te stellen. Over het resultaat van hun werk waren zowel de Raad van Indië in Batavia als de Heren XVII zeer tevreden. Op 21 oktober 1766 werd Moens door de Heren XVII benoemd in de rang van opperkoopman. Als vertegenwoordiger van Falck bezocht hij dat jaar ook radja Rama Varma van Travancore aan de Malabarkust van India, om deze te verzekeren dat Haider Ali van Mysore hem niet zou aanvallen vanwege de goede betrekkingen van de VOC met Travancore. Op 2 april 1768 overleed zijn tweede vrouw. Ook haar graf bevindt zich in de Wolvendaalkerk.

Moens speelde een rol in de eerste experimenten met kaneeltuinen die plaats vonden onder Falck, om de VOC minder afhankelijk te maken van de in het wild groeiende kaneelbomen op het grondgebied van Kandy. In augustus 1766 kreeg hij van Falck toestemming om een stuk woeste grond te kopen op een landtong in het meer aan de zuidkant van Colombo om het te beplanten met kaneelbomen. Ook andere hoge VOC-medewerkers konden de jaren daarna stukken grond kopen voor dat doel. De opbrengst, of ook wel de kant en klare tuin, werd aan de VOC verkocht.
In juli 1769 werd hij door de Raad van Indië aangesteld als hoofdadministrateur van Colombo, de tweede rang na de gouverneur, ook wel secunde genoemd. In 1770 werd hij na 18 jaar in Ceylon op voorspraak van Falck benoemd tot commandeur van Malabar. Kort tevoren was hij voor de derde keer getrouwd, met de uit Naaldwijk afkomstige 53-jarige weduwe Helena Metternach.

Moens kwam in december aan in Cochin, samen met Willem Jacob van de Graaff, die hoofdadministrateur en secunde werd. In oktober 1772 werd Moens ook benoemd tot extra-ordinair lid van de Raad van Indië, die hem een jaar later ook nog de hogere titels gouverneur en directeur van Malabar gaf om hem meer aanzien te geven. In Malabar (het huidige Kerala) bestond de voornaamste VOC-handel uit peper voor de Europese markt, hoewel ook regionaal in lokale producten werd gehandeld. De VOC handhaafde zich er al meer dan een eeuw in een zeer complex politiek en cultureel landschap van diverse koninkrijken langs de kust. Moens trad echter aan in een moeilijke periode. Het hele zuiden van India werd eind 18e eeuw geteisterd door machtsstrijd en oorlog tussen verschillende partijen. De Nizams van Hyderabad en Arcot, het Maratharijk, het sultanaat Mysore, de Britten en de Fransen bestreden elkaar in wisselende allianties. Hoewel de VOC inmiddels geen militaire macht van betekenis meer was werden er ondanks al het oorlogsgeweld goede winsten gemaakt. Met het opkomende rijk Travancore had men een gunstig contract: jaarlijkse levering van 2,5 miljoen pond peper tegen de helft van de marktprijs, in ruil voor neutraliteit van de VOC bij Travancore’s gestage uitbreiding van territoriale macht in Malabar ten koste van naburige vorstendommen. In de praktijk ontving de VOC altijd minder dan was afgesproken. Betaald werd eerst met goud en later met de opbrengst van de verkoop van Javaanse suiker.

Moens besteedde veel aandacht aan het versterken van de verdedigingswerken van Cochin. Het fort van Cannanore was door zijn voorganger Christiaan Senff verkocht aan een voormalig bondgenoot van Haider Ali, tot ongenoegen van de laatste. Ook andere forten stonden op de nominatie om verkocht te worden zodat de kosten van garnizoenen en onderhoud beperkt zouden worden tot Cochin. Volgens Johan Stavorinus, die Cochin in 1777 bezocht, had Moens de vestingwerken van die stad 'uit een diep verval, waarin dezelven door voorige bestierders gebragt waren, weder opgehaald'. Dit was vooral van belang vanwege de toenemende interesse van Haider Ali van Mysore in veroveringen in Malabar. Hij had in 1766 de vrije handelsplaats Calicut veroverd ten noorden van Cochin. De Samorijn moest vluchten uit zijn brandende paleis. Haider Ali had destijds een gezant naar de VOC in Cochin gezonden met een voorstel voor een defensief verbond vergezeld van geschenken, maar had daar van de toenmalige commandeur Cornelis Breekpot geen respons op gekregen, wat hem gepikeerd had. Nu stelde hij opnieuw middels brieven aan Moens en de gouverneur-generaal in Batavia een verbond voor gebaseerd op wederzijdse militaire bijstand. Ook naar Fort Vijf Sinnen in Nagapattinam stuurde hij boodschappers. Een verbond was aan de ene kant aantrekkelijk, maar de VOC mocht ook haar handelspartners, Cochin en Travancore, niet van zich vervreemden omdat ze anders allianties zouden aangaan met de Britten. Vooral de radja van Cochin, die goed Nederlands sprak, was een oude bondgenoot. De radja van Travancore wilde desgevraagd geen bijstand tegen Haider Ali verlenen en trok zijn eigen plan. Een verbond met Haider Ali zou ook de Britten provoceren, die zijn voornaamste vijanden waren, terwijl de VOC die beter te vriend kon houden. De Raad van Indië ten slotte stond een strikte neutraliteitspolitiek voor, terwijl de gouverneurs van Ceylon, Coromandel en Malabar liever allianties wilden sluiten omdat neutraliteit door de lokale vorsten niet werd begrepen en weinig ontzag wekte.

Moens wist door slim onderhandelen lang tijd te rekken. Zo liet hij Haider Ali weten dat Batavia voor een dergelijk verbond waarschijnlijk moest overleggen met de Heren XVII, waar jaren overheen zouden gaan. Hij hoopte dat de grillige ambities van Haider Ali hem in de tussentijd naar elders zouden voeren of dat hij, inmiddels een oude man, zou sterven. In 1776 had Haider Ali er genoeg van en veroverde zijn generaal Sardar Khan de meest noordelijke vestigingen van de VOC, het fortje Wilhelmus in Chettua (het huidige Chetuva) en Paponetty (het huidige Pappinivattom), en eiste hij vrije doorgang voor zijn zoon Tipu Sultan om het zuidelijker gelegen Travancore aan te kunnen vallen. Tipu Sultan trok alvast op door Cranganore (het huidige Kodungallur). Dankzij een troepenzending door Falck vanuit Ceylon blies hij de verdere opmars af. Voor Falck was Zuid-India de voorpost van de verdediging van Ceylon en hij vroeg vele malen tevergeefs aan Batavia en de Heren XVII om hulptroepen naar beide gebieden te sturen. Moens schreef later dat het aan Fort Cranganore te danken was dat Tipu Sultan niet was doorgebroken naar Travancore. De radja van Cranganore die van zijn land was verdreven kreeg van Moens een pensioen toegekend.

Hoewel Moens altijd hoop had op een goede afloop schreef hij op 15 december 1776 aan vrienden in Nederland dat hij niet te doen had ‘met een vijand, die gelijk andere vijanden, Passchen of Forten winnende, zig daarmeede vergenoegen, maar met een roover en tyran, die geen barmhartigheijd kent, maar de lieden alles afneemt, wat ze bezitten, tot de kleederen van het lijf, en de gevangene zonder aanzien van perzoon of sexe, op een veragtelijke wijze gevangen na zijn roofnest wegsleept, gelijk hij dat getoond heeft, bij het overgaan van het fort Chettua’. Hij vroeg hen om zijn kinderen en familieleden niets te vertellen over de hachelijke omstandigheden waarin hij zich bevond, maar mocht hij het niet overleven hen te zeggen ‘dat hun vader ten dienste van den Lande gestorven is’.

Moens had veel interesse in kunsten en wetenschappen, en zond etnografische artefacten naar het Zeeuwsch Genootschap. Hij was met Josua van Iperen betrokken bij de oprichting van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen op 24 april 1778. Later werkte hij in Batavia samen met Jacobus Radermacher. In zijn tijd in Malabar was hij bevriend met Johan Adam Cellarius, hoofd van Fort Cranganore, volgens Moens een linguïst en geleerd man, die later als fiscaal in Cochin een grote bibliotheek aanlegde in zijn huis, met boeken van Verlichtingsfilosofen als Hume, Voltaire, Rousseau, Raynal en vele anderen.

Begin januari 1778 deed Moens een poging Chettua terug te veroveren. Een beschieting door een legermacht van 470 Europese en 1000 Boeginese en Indiase troepen onder bevel van de inmiddels tot majoor bevorderde Christiaan Wohlfarth vanuit Fort Cranganore had echter niet snel genoeg effect, zodat na het arriveren van versterkingen uit Mysore en de daarop volgende vlucht van de Aziatische eenheden het beleg moest worden opgegeven, met achterlating van zeven kanonnen. Twee jaar verklaarde Haider Ali opnieuw de oorlog aan de Britten in Madras (de Tweede Mysore oorlog) en verdween zijn leger uit Malabar. De VOC kreeg weer lucht maar had haar langste tijd aan de Malabarkust gehad. Travancore bleef nog enige tijd de jaarlijkse 'gestipuleerde quantiteit Peeper' leveren maar streefde al langere tijd naar een monopolie, zoals de VOC in de tweede helft van de 17e eeuw had geprobeerd. Al spoedig ging het alle peper aan buitenlandse handelaren verkopen vanuit een nieuw aangelegde haven in Alleppey (het huidige Alappuzha). Voor de VOC viel er steeds minder winst te behalen. Begin jaren 1790 besloot de Raad van Indië er geen handel meer te drijven.

Na tien jaar in Malabar werd Moens op 15 september 1780 afgelost door Johan van Angelbeek. Hij schreef voor hem een uitgebreide Memorie van overdracht, en vertrok op 18 april 1781 naar Batavia, waar hij zitting nam in de Raad van Indië als ordinaris lid. De Memorie is bewaard gebleven in het Nationaal Archief, en werd in 1908 ook in het Engels vertaald en gepubliceerd. De Memorie bevat waardevolle informatie over het land, de diverse vorstendommen en bevolkingsgroepen, de handel en de relatie met Haider Ali. Er blijkt ook uit dat Moens veel aandacht gaf aan modernisering op het gebied van de hygiène in Cochin, en dat hij erg tolerant was op het gebied van religie. Zo gaf hij Joden en katholieken alle ruimte om hun synagogen en kerken te renoveren. Voor het laatste werd hij zelfs speciaal bedankt in een brief van paus Clemens XIV.

Inmiddels had Groot-Brittannië de oorlog verklaard aan de Republiek der Verenigde Nederlanden. In deze Vierde Engels-Nederlandse oorlog liep de VOC grote schade op in de vorm van gekaapte schepen en geplunderde pakhuizen. Ook waren er jarenlang nauwelijks inkomsten uit de handel. In juli 1783 werd Moens door de Raad gekozen als directeur-generaal, de op een na hoogste functie bij de VOC in Azië, direct onder gouverneur-generaal Willem Alting. Moens' voorganger Hendrik Breton had zijn benoeming vanuit de Republiek ongedaan gemaakt zien worden en was gerepatrieerd. Vervolgens was de Ceylonese gouverneur Falck voor de functie aangezocht maar die had er voor bedankt. Op 27 november 1784 werd Moens' benoeming bekrachtigd door de Heren XVII. In Batavia heerste groot geldgebrek en Moens deed diverse voorstellen om door middel van leningen en de verkoop van Compagniesland aan particulieren contanten te verwerven om rekeningen te kunnen betalen. Er werd echter weinig met zijn adviezen gedaan. Een brief met hervormingsvoorstellen (‘Bedenkingen in forme van ampel advies’) die hij stuurde aan een aantal VOC-bewindhebbers in Nederland maakte hem impopulair in de Raad, die klaarblijkelijk over de brief was ingelicht. Of zoals Moens het verwoordde: ‘heb ik kunnen bemerken dat men daarvan hier den snuf in de neus had gekregen, wegens schootjes die ik telkens onder water kreeg, zodat men mij hier al vroeg heeft beginnen aan te merken als iemand, wiens denkenswijze niet strookte met de predominante denkwijze van Indië’. Uiteindelijk had hij spijt dat hij de functie ooit had geaccepteerd en refereerde hij aan zijn zes jaar als directeur-generaal als ‘die allerongelukkigste tijden’.
Op 30 juni 1789 legde hij zijn functie neer, maar bleef wel lid van de Raad van Indië, en nam daarin de rapportage over Ternate en Bengalen voor zijn rekening. Ook bleef hij directeur van de Amfioensociëteit, en bleef hij betrokken bij het Bataviaasch Genootschap.
Op 12 oktober 1792 overleed hij op zijn buitenplaats tussen Batavia en Molenvliet. Raadpensionaris Laurens van de Spiegel noemde hem in een memoriam 'een dooreerlijke man, die te vroeg voor het vaderland ons is ontrukt, maar tijdig genoeg voor zijnen roem'. Zijn vier overlevende in Colombo geboren kinderen waren allen op jonge leeftijd voor scholing naar Nederland gezonden. Petronella trouwde in 1786 met Rogier van Alderwerelt, heer van Oud- en Nieuw Rosenburgh en Blanckenburgh en lid van het Delftse stadsbestuur. Drie zoons (met Sara Raket), de tweeling Pieter Josias en Jan Adriaan, en Matthias Jacobus, gingen naar de Latijnse school van Middelburg, studeerden rechten in Leiden en werden schepenen in de stadsbesturen van respectievelijk Leiden, Vlissingen en Zierikzee. Matthias werd doctor in de rechten en trouwde met Regina van Hoorn, waarna hij door een erfenis heer van Bloois werd.
De dichteres Petronella Moens was een nichtje van hem.