Afstandsmoeder is de term die in Nederland gebruikt wordt voor biologische moeders die hun kind, vaak direct na de geboorte, juridisch en sociaal afstaan ter adoptie. In navolging van het Engelse taalgebruik is de term 'biologische moeder' voor moeders die hun kind ter adoptie afstonden in zwang gekomen en is de term 'afstandsmoeder' meer gaan refereren naar moeders die tussen 1956 en 1984 gedwongen werden hun kind af te staan.
In Nederland werd in 1956 de de Adoptiewet aangenomen. Vanaf dat moment was het afstaan van kinderen ter adoptie door adoptieouders wettelijk geregeld. Direct na de oorlog greep men al snel terug op het ideaalbeeld van het gezin als hoeksteen van de samenleving. Meisjes en vrouwen die ongehuwd zwanger waren geworden, gedroegen zich niet volgens de heersende normen en waarden en zouden zich daarmee ook direct diskwalificeren voor het moederschap. Idealiter zou een meisje dat of vrouw die ongehuwd zwanger was geworden, dan ook het kind afstaan aan een stel dat zelf geen kinderen kon krijgen door onvruchtbaarheid, wat in die tijd nog amper te behandelen was. Dit resulteerde niet alleen in grote druk van de omgeving, zoals de ouders van de zwangere, maar ook in instanties zoals maatschappelijk werk die deze zienswijze evenzeer uitdroegen en de aanstaande moeders naar adoptie duwden.
In de jaren die volgden zouden er veel veranderingen in de samenleving plaatsvinden. Zo kwam in 1962 de pil op de Nederlandse markt beschikbaar, een makkelijk anticonceptiemiddel waar vrouwen zelf de hand in hadden. Voor de introductie van dit middel, was het pessarium het enige middel dat door vrouwen ingezet kon worden om zwangerschappen te voorkomen. Het pessarium dient echter voor de seks ingebracht te worden, idealiter met een zaaddodend middel. Bij spontane escapades is de kans daardoor groot dat de vrouw niet over dit voorbehoedsmiddel beschikt of het al heeft ingebracht. De pil daarentegen wordt dagelijks ingenomen en is daardoor altijd 'startklaar'. Ook veranderde het de positie van de vrouw enorm binnen de samenleving. Vrouwen kregen door de anticonceptiepil een keuzevrijheid die ze daarvoor nooit hadden gehad en konden zwangerschappen plannen en uitstellen. De pil droeg daarmee bij aan de seksuele revolutie en de tweede feministische golf.
Deze opkomst van het feminisme en liberalisering van seksualiteit leidden tot grote veranderingen in de samenleving, die zich onder meer uitten in het fenomeen bommoeder en de legalisering van abortus. Beiden droegen bij aan een andere kijk op ongehuwde zwangerschappen en de noodzaak van het afstaan van kinderen wanneer men ongehuwd was. Ook werd de abortus in 1984 gelegaliseerd. Langzaamaan begon het fenomeen afstandsmoeder door al deze ontwikkelingen te verdwijnen.
Moeders kozen en kiezen in sommige gevallen nog wel voor het afstaan van een kind. Vanuit de samenleving en overheid is er heden ten dage veel minder druk meer om kinderen die verwekt zijn buiten het huwelijk af te staan. Dit blijkt ook wel uit de cijfers: in de jaren '70 stonden jaarlijks zo'n 1.000 vrouwen hun kind af. Tussen 1998 en 2007 lag dit aantal veel lager: bijna 200 vrouwen stonden hun kind af ter adoptie. In een onderzoek dat focuste op de periode tussen 2016 en 2020, bleek dit aantal vrijwel gelijk gebleven. Rond de twintig vrouwen stonden jaarlijks hun kind af.
Uit het onderzoek tussen 1998-2007, bleek dat niet-Nederlandse vrouwen oververtegenwoordigd waren binnen de groep van afstandsmoeders. De meeste van hen waren ook jonger dan de Nederlandse vrouwen die besloten afstand te doen van hun kind (Nederlandse vrouwen gemiddeld iets jonger dan 25 jaar, migrantenvrouwen gemiddeld iets ouder dan 22 jaar). Het overgrote deel van de vrouwen had geen vaste partner (meer dan de helft, met slechts 26,8% die een vaste partner had). Meer dan de helft van de vrouwen woonde in het westen van Nederland. 6 Van de bijna 200 vrouwen had al eerder een kind afgestaan.
Een klein decennium later bleek er weinig verandering in de situatie van afstandsmoeders. De gemiddelde leeftijd was iets gestegen (28 jaar), maar nog altijd had 30% geen vaste partner. 42% van de vrouwen had een migratieachtergrond, waarvan de overgrote meerderheid een Poolse nationaliteit had. Bij 16% van de afstandsmoeders speelde hun religie een rol bij de keuze voor afstand, waarbij de islam de grootste invloed had. Eén op de drie vrouwen ontdekte de zwangerschap pas na 30 weken of nog later, waardoor de mogelijkheid voor het uitvoeren van abortus al niet meer bestond. Waar in het eerdere onderzoek 15% van de vrouwen door verkrachting zwanger geworden was, was dit aantal in dit onderzoek gedaald tot 5%.
Het (gedwongen) afstaan van een kind heeft veel impact gehad. Deze impact vindt men zowel terug bij het kind zelf, de afstandsouders als de adoptieouders.
De afstandsouders ervoeren vaak een groot verlies van de regie, omdat zij door omgeving en overheid zwaar onder druk werd gezet om haar kind op te geven. In veel gevallen, was er ook een groot gevoel van verlies: velen van hen zagen hun kinderen nooit meer terug. Veel vrouwen moesten hun situatie ook angstvallig stil houden, om niet het predicaat te krijgen van promiscuïteit dat vrouwen die buiten het huwelijk zwanger waren geworden vaak kregen. Voor vaders gold dat zij zich veelal machteloos en buiten spel gezet voelden. Veel moeders ervoeren daarnaast nog een traumatisering rondom hun zwangerschap en bevalling, vooral wanneer zij in opvanghuizen voor ongehuwde moeders zaten.
Ook afstandskinderen ervoeren dat verlies van regie. Zij moesten omgaan met het feit dat zij hun eigen familieleden en hun (medische) familiegeschiedenis niet kenden. Ook belandden ze helaas niet altijd in gezinnen die altijd goed met hen om gingen: sommigen van hen waren in hun adoptiegezinnen slachtoffer van kindermishandeling.
De adoptieouders ervoeren veelal grote dankbaarheid voor het krijgen van een kind, vooral als zij zelf onvruchtbaar waren. Toch ervoeren zij ook uitdagingen wat betreft het ontwikkelen van een band met hun kinderen. Dit werd nog eens vermoeilijkt door het gebrek aan professionele ondersteuning dat zij ervoeren. De latere zoektocht naar de biologische ouders riep in veel gevallen erg dubbele gevoelens op bij de adoptieouders.
In 2022 diende Trudy Scheele, die in de jaren zestig haar kind had moeten afstaan, samen met Bureau Clara Wichmann een rechtszaak aan tegen de Nederlandse staat. Zij deed dit namens alle Nederlandse afstandsmoeders. In 2025 volgde het hoger beroep. Haar rechtszaak en hoger beroep bereikten niet het beoogde doel: de Nederlandse staat werd vrijgesproken en niet aansprakelijk gesteld.
Het kabinet besloot in 2022 tot een onderzoek naar de geschiedenis van afstand en adoptie in Nederland in de periode 1956-1984. Eerder was ook een onderzoek gestart, maar dat was stopgezet. De commissie Binnenlandse Afstand en Adoptie 1956-1984 werd opgezet, met als voorzitter hoogleraar pedagogiek Micha de Winter. De commissie bestond verder uit de hoogleraren Mariëlle Brunning, Trudy Dehue, Trudy Mooren en Carol van Nijnatten. De commissie stelde onderzoeksvragen op en het onderzoek werd uitgevoerd door verschillende instituten, zoals het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, Atria, kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis en de onderzoeksgroep filosofie van de publieke gezondheidszorg van de Universiteit Maastricht. In juni 2025 leverde de commissie het eindrapport op, Schade door schande.
De overheid besloot in juli 2026 excuses te maken aan de afstandsmoeders wiens kind tussen 1956 en 1984 werd afgenomen. Organisaties voor betrokkenen en lotgenoten zoals Verleden in Zicht en Stichting De Nederlandse Afstandsmoeder waren essentieel voor het verkrijgen van deze excuses. Ondanks de excuses ervoeren de stichtingen toch nog een tekort aan de kant van de overheid: zij wilden graag ondersteuning in verder onderzoek naar de situatie van afstandsouders en kinderen waarvan afstand is gedaan.