
Leukocyten of witte bloedcellen zijn onder te verdelen in 2 groepen: granulocyten en agranulocyten.
Agranulocyten worden gekenmerkt door de afwezigheid van zichtbare korrels (granulen) in hun cytoplasma, wat hen onderscheidt van granulocyten. Onder deze groep vallen de lymfocyten en monocyten waaronder de macrofagen.
De helft van de ongedifferentieerde monocyten wordt opgeslagen in de milt en de andere helft blijft twee tot drie dagen in het bloed zitten, vanwaaruit ze zich verplaatsen naar een weefsel, waar de ongedifferentieerde monocyten zich, afhankelijk van het soort weefsel, differentiëren in een bepaald soort macrofagen.
De functie van agranulocyten is vergelijkbaar met die van granulocyten. De immuunrespons op vreemde ziekteverwekkers, kankercellen en tumorcellen, en verwijderen dode cellen uit het lichaam doen ze door antilichamen vrij te geven en zich rechtstreeks aan cellen te hechten in plaats van granulen af te geven.
Het onderscheid tussen granulocyten en agranulocyten is om verschillende redenen niet nuttig. Ten eerste bevatten monocyten korrels, die doorgaans fijn en zwak gekleurd zijn. Ten tweede zijn monocyten en granulocyten nauw verwante celtypen, zowel qua ontwikkeling, fysiologie als functie. Ten derde wordt dit onderscheid niet gebruikt door hematologen. Het is een onjuiste scheiding die geen betekenis heeft.
(C) Granulocyt, (D) Pro-granulocyte |