| Anna Francesca Costa | ||||
|---|---|---|---|---|
Portret van Checca Costa, door Cesare Dandini (1640) | ||||
| Persoonsgegevens | ||||
| Volledige naam | Anna Francesca Costa | |||
| Ook bekend als | Checca Costa | |||
| Geboortedatum | onbekend | |||
| Overlijdensdatum | vóór 1678 | |||
| Opleiding en beroep | ||||
| Beroep(en) | operazangeres, operaproducente | |||
| Oriënterende gegevens | ||||
| Jaren actief | 1637-1654 | |||
| Stijl(en) | barok | |||
| Zangstem | Sopraan | |||
| ||||
Anna Francesca Costa (overleden vóór 1678), ook wel Checca Costa genoemd, was een 17e-eeuwse Italiaanse sopraan en operaproducente. Het is onbekend waar en wanneer ze is geboren; ook over haar sterfdatum is weinig duidelijk. Haar zangcarrière vond plaats tussen 1637-1654, waarbij vooral haar tijd aan het Franse hof haar grote bekendheid bracht.
Anna Francesca was de dochter van de uit Rome afkomstige Cristoforo Costa en Doretea. Ze had een broer Paolo en vijf zussen: Margherita, Anna, Olimpia, Vittoria en Barbara. Margherita werd later zangeres en dichteres, Olimpia of Vittoria zou als Maria Massimiliana in een klooster wonen.
Rond 1637 was Anna Francesca in Florence als zangeres werkzaam voor Giovanni Carlo de’ Medici.
In oktober 1644 vertrok ze met haar zus Margherita en enkele andere Italiaanse zangers naar Parijs om te werken voor koningin Anna en kardinaal Mazarin. De kardinaal was een muziekliefhebber en wilde de Italiaanse opera introduceren in Frankrijk. Het is aannemelijk dat de families Costa en Mazarin reeds onderlinge contacten hadden in Rome, dus waarschijnlijk kenden Anna Francesca en de kardinaal elkaar al.
Tijdens het carnaval van 1645 was Anna Francesca voor het eerst in Parijs te horen en wel in de opera Il giudizio della ragione van Marco Mazzaroli, tijdens een privévoorstelling in het Palais Royal. In datzelfde jaar verscheen ze in een bewerking van de opera La finta pazza van Francesco Sacrati. In 1646 was zij te horen in de door haarzelf geproduceerde opvoering van Egisto van Francesco Cavalli. Hierna vertrok ze naar Italië met een aanbevelingsbrief van Mazarin voor Giovanni Carlo de’ Medici, die inmiddels kardinaal was geworden. Toch was ze in 1647 samen met haar zus nogmaals in Parijs voor deelname aan Luigi Rossi's opera Orfeo.
Anna Francesca had van koningin Anna een aanbevelingsbrief meegekregen voor de Franse ambassadeur te Rome, de markies de Fontenay; tevens kreeg ze van haar een som geld cadeau. Na een kennelijk minder succesvolle periode in Rome was ze echter vanaf 1650 opnieuw in Florence om te werken voor de broers Leopoldo en Giovanni Carlo de’ Medici.
In 1653 was Anna Francesca in Bologna om te zingen in de opera Ergirodo. Ze was overigens ook de producente van deze uitvoering. In 1654 verscheen ze in Florence in de opera Alessandro vincitor di se stesso van Antonio Cesti.
Ze zou in 1654 weer voor enige tijd terugkeren naar Parijs.
Op 20 juli 1670 liet Anna Francesca bij een notaris in Rome een testament opstellen. Een jaar later bleek ze in deze stad in het Casino dell’Aurora te wonen, samen met haar negen jaar oude nichtje Anna Biscia en drie bedienden. Het Casino was door kardinaal Mazarin in 1641 gekocht en werd in 1671 onder andere bewoond door zijn zuster Laura Margherita.
Het is onbekend wanneer Anna Francesca is overleden. Op 13 mei 1678 werd haar testament in Rome geopend op verzoek van haar nicht Dorotea Biscia. Anna Francesca had hierin aangegeven dat ze in de SS. Vincenzo e Anastasio a Trevi begraven wilde worden; het is niet bekend of dat ook is gebeurd.
Zangeressen waren volgens de regels in Rome verplicht een deel van hun erfenis na te laten aan het klooster S. Maria Maddalena delle Convertite al Corso. Dit klooster was in 1520 opgericht voor prostituees, maar bemoeide zich ook met overspel en slachtoffers van huiselijk geweld. Aanvankelijk werd het klooster gefinancierd door de inbeslagname van de bezittingen van opgenomen prostituees, maar uiteindelijk moesten ook andere in Rome wonende 'oneerlijke vrouwen' - de zogenaamde donne disoneste - een bijdrage leveren: zij werden verplicht een derde deel van hun nalatenschap te vermaken aan het klooster. Deden ze dit niet, dan mocht het klooster hun volledige nalatenschap opeisen. Onder de categorie donne disoneste vielen onder andere broodverkoopsters, herbergiersters en zangeressen.
Anna Francesca had dit verplichte deel opgenomen in haar testament. Desondanks claimde het klooster haar volledige nalatenschap. Ook het openen van het testament in 1678 bracht het klooster niet op andere gedachten. In een schikking ontving haar enige overgebleven erfgename - haar zus Barbara - uiteindelijk twintig procent van de erfenis, terwijl het klooster de rest opstreek.
In Florence was Anna Francesca de maîtresse van Giovanni Carlo d' Medici. Hij heeft door de schilder Cesare Dandini twee portretten laten maken van haar, bedoeld voor in zijn privévertrekken. Het eerste portret is nog vóór 1637 gemaakt, het tweede rond 1640. Beide portretten hebben een sensuele lading, waarbij het tweede iets minder provocerend overkomt.
Anna Francesca had tijdens haar periode in Parijs gemeld dat ze was gehuwd met Leonardo Martellini, een dienaar van Giovanni Carlo de’ Medici. Het is echter niet duidelijk of dit huwelijk daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Mogelijk deed ze alleen voorkomen dat ze getrouwd was om zichzelf een reputatie te geven als respectabele vrouw.
In 1654 was ze in Parijs en werd hier de maîtresse van de Prins van Wales (de latere koning Karel II). Hij woonde op dat moment in Parijs in ballingschap.